Modale werkwoorden zoals kunnen, moeten, mogen, willen en zullen worden gebruikt om mogelijkheid, verplichting, toestemming, wens of de toekomst uit te drukken.
- Bij hoeven gebruik je altijd te + infinitief om aan te geven dat iets niet nodig is.
- Bij kunnen en willen gebruik je vaak een infinitief.
| Werkwoord | Voorbeeld |
|---|---|
| kunnen | We kunnen het podium goed zien vanaf onze plaatsen. |
| moeten | Je moet in de rij staan om de voorstelling binnen te komen. |
| mogen | Het publiek mag applaudisseren aan het einde van het optreden. |
| willen | Ik wil graag de acteur zien die op het podium speelt. |
| zullen | De voorstelling zal om 20:00 uur beginnen. |
| hoeven | Je hoeft niet te applaudisseren als je het niet wilt. |
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. We ____ het podium vanuit rij 12 goed zien, dus we hoeven niet te ruilen.
2. Je ____ je kaartje laten zien voordat je de zaal in mag.
3. Na afloop ____ we de acteurs niet storen, want ze zijn nog bezig met opruimen.
4. We ____ applaudisseren als we de voorstelling niet goed vonden.
Oefening 2: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zin met het modale werkwoord dat tussen haakjes staat (kunnen, moeten, mogen, willen, zullen, hoeven). Laat de rest van de zin zo veel mogelijk hetzelfde.
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldIk kan morgen eerder weggaan.
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldJe moet je kaartje bij de ingang laten zien.
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldJe mag na afloop foto’s maken.
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldIk wil vanavond naar het theater gaan.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies per vraag de zin met het juiste modale werkwoord.