A2.31 - Verlanglijstje
A2.31 - Verlanglijstje

A2.31 - Verlanglijstje - Oefeningen

Liste de souhaits


Oefening 1: Een woord matchen

Instructie: Koppel de items die een verwante betekenis hebben.

Je voudrais… — J’aimerais… (Je voudrais… — Ik zou graag…)
J’aimerais… — Ça me ferait plaisir de… (Ik zou graag… — Ik zou graag…)
On pourrait… — Il serait possible de… (On pourrait… — We zouden kunnen…)
Réaliser un rêve — Faire un rêve réalité (Réaliser un rêve — Een droom doen uitkomen)

Oefening 2: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Atelier d'entreprise : « Ma liste de choses à faire »

Vul de lege plekken in: réaliser, crois, impossible, liste de choses à faire, aimerais, possible, planifier, journal de bord

(Bedrijfsworkshop: «Mijn takenlijst»)

La semaine prochaine, le service RH organise un atelier « Projets 2026 ». Chaque participant prépare une petite : trois projets personnels et un projet professionnel. L'objectif est de une étape concrèteet d'expliquer pourquoi c'est important. Les idées peuvent être simples : apprendre à cuisiner, faire une randonnée ou suivre une formation.

Pour vous aider, RH conseille d'écrire un mini pendant un mois. Exemple : « L'an dernier, je pensais que c'était , mais je que c'est si j'organise mon plan. J' un rêve : sauter en parachute, pour une aventure inoubliable. »
Volgende week organiseert HR een workshop «Projecten 2026». Elke deelnemer stelt een korte takenlijst op: drie persoonlijke projecten en één professioneel project. Het doel is een concrete stap te plannen (datum, budget, contactpersoon) en uit te leggen waarom het belangrijk is. De ideeën kunnen eenvoudig zijn: leren koken, een wandeling maken of een cursus volgen.

Om je te helpen raadt HR aan een kort logboek bij te houden gedurende een maand. Voorbeeld: «Vorig jaar dacht ik dat het onmogelijk was, maar ik geloof dat het mogelijk is als ik mijn plan goed organiseer. Ik zou graag een droom waarmaken: parachutespringen, voor een onvergetelijk avontuur.»

  1. Quels projets les participants doivent-ils préparer et quelles informations doivent-ils indiquer pour chaque projet ?

    (Welke projecten moeten de deelnemers voorbereiden en welke informatie moeten ze voor elk project vermelden?)

  2. Que propose RH pour suivre les progrès, et quel exemple personnel est donné dans le texte ?

    (Wat raadt HR aan om de voortgang bij te houden, en welk persoonlijk voorbeeld wordt in de tekst gegeven?)

Oefening 3: Luistervaardigheid

Instructie: Luister naar het audiofragment en geef aan of de volgende uitspraken waar of onwaar zijn.

Cette année, j’écris ma liste de choses à faire dans un petit journal de bord. Mon rêve, c’est une aventure qui me donne de l’adrénaline : sauter en parachute un jour. C’est ambitieux, mais je crois que c’est possible si je fais un bon plan et si j’économise. Pour le futur, je veux aussi réaliser un voyage en Bretagne avec une amie. Je veux que ce soit inoubliable.
(Dit jaar noteer ik mijn takenlijst in een klein logboek. Mijn droom is een avontuur dat me een adrenalinekick geeft: ooit parachutespringen. Het is ambitieus, maar ik denk dat het mogelijk is als ik een goed plan maak en geld opzij leg. Voor de toekomst wil ik ook met een vriendin naar Bretagne reizen. Ik wil dat het onvergetelijk wordt.)
Waar Onwaar

(Ze schrijft haar plannen in een schriftje om zichzelf beter te organiseren.)

(Ze heeft dit jaar al parachutesprongen gemaakt.)

(Ze denkt dat haar plannen werkelijkheid kunnen worden als ze zich goed voorbereidt en spaart.)

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Quand j'étais étudiant, je ___ déjà un grand voyage en France pour réaliser mon rêve.

(Toen ik student was, ik ___ al een grote reis naar Frankrijk om mijn droom waar te maken.)

2. Pour ma liste de choses à faire, je voudrais ___ un week-end d'aventure en Bretagne.

(Op mijn takenlijst zou ik graag ___ een avontuurlijk weekend in Bretagne plannen.)

3. Avant mon départ, je ___ mes économies et je notais tout dans mon journal de bord.

(Voor mijn vertrek ___ ik mijn spaargeld en noteerde alles in mijn logboek.)

Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Discussievragen

Instructie: Beantwoord de vragen met het vocabulaire uit dit hoofdstuk.

Nuttige uitdrukkingen:

J’aimerais réaliser mon rêve de … / Je voudrais organiser un plan pour … / On pourrait essayer une aventure inoubliable comme …

  1. Quelles sont deux choses que vous voudriez réaliser dans votre liste de choses à faire, et pourquoi ?
    Wat zijn twee dingen die je op je to-dolijst zou willen doen en waarom?

    __________________________________________________________________________________________________________

  2. Si vous aviez une semaine de congé supplémentaire l’année prochaine, quel projet aimeriez-vous organiser ?
    Als je volgend jaar een extra week vrij zou hebben, welk project zou je willen opzetten of doen?

    __________________________________________________________________________________________________________

Oefening 7: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie


Salut !

Je fais une liste de choses à faire pour cette année, et j'aimerais bien qu'on vive une petite aventure ensemble. Ce week-end, on pourrait aller à la mer ou faire une rando. Et toi, tu as des projets pour le futur ? Un rêve à réaliser ?

Dis-moi ce qui est possible pour toi (samedi ou dimanche) et ton budget.

Camille


Hoi!

Ik maak een takenlijst voor dit jaar en zou het leuk vinden als we samen een klein avontuur beleven. Dit weekend zouden we naar de zee kunnen gaan of een wandeling kunnen maken. En jij, heb je plannen voor de toekomst? Een droom die je wilt waarmaken?

Zeg wat er voor jou mogelijk is (zaterdag of zondag) en wat je budget is.

Camille


Nuttige zinnen:

  1. J'aimerais bien..., mais je ne peux pas...

    (Ik zou graag..., maar ik kan niet...)

  2. Je voudrais te proposer...

    (Ik wil je voorstellen...)

  3. On pourrait... si tu es d'accord.

    (We zouden kunnen... als je het ermee eens bent.)

Salut Camille !

Bonne idée, j'aime ta liste de choses à faire. Ce week-end, samedi est possible pour moi, mais dimanche je travaille. On pourrait faire une rando près de la mer et manger après. Niveau budget, je peux payer environ 30–40 €.

Pour le futur, j'aimerais réaliser un rêve : faire un grand voyage en train en France. Et toi, tu préfères la mer ou la rando en forêt ?

À bientôt !

Hoi Camille!

Leuk idee, ik vind je takenlijst leuk. Dit weekend kan ik op zaterdag, maar zondag werk ik. We zouden een wandeling vlak bij de zee kunnen maken en daarna iets gaan eten. Wat het budget betreft: ik kan ongeveer 30–40 € bijdragen.

Voor de toekomst zou ik graag een droom verwezenlijken: een grote treinreis door Frankrijk maken. En jij, heb je meer voorkeur voor de zee of voor een wandeling in het bos?

Tot snel!