Exercice: Gespreksoefening

Instruction:

  1. Quels mauvais événements peuvent survenir lors d'un voyage ? (Wat voor nare dingen kunnen er op een reis gebeuren?)
  2. Que pouvez-vous faire quand cela vous arrive ? (Wat kun je doen als het jou overkomt?)
  3. Une de ces situations vous est-elle déjà arrivée ? (Is een van die situaties ooit bij jou gebeurd?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten