Oefening 1: Een woord matchen

Instructie: Koppel de items die een verwante betekenis hebben.

Les transports en commun — le bus, le métro, le tram (Het openbaar vervoer — de bus, de metro, de tram)
Le co-voiturage — partager une voiture (Carpoolen — een auto delen)
La voiture électrique — une voiture sans essence (De elektrische auto — een auto zonder benzine)
La marche — aller à pied (Lopen — te voet gaan)

Oefening 2: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Article de blog : Aller au travail sans voiture

Vul de lege plekken in: sensibilisation, transports, piste, co‑voiturage, pollution, voiture, zone, durable

(Blogartikel: Naar het werk zonder auto)

De plus en plus de Français vont au travail sans voiture. Dans notre ville, la mairie propose une nouvelle application pour organiser le et les en commun. Les habitants peuvent aussi emprunter une trottinette ou une électrique pour de petits trajets.

La ville crée chaque année une nouvelle cyclable et ferme certaines rues pour faire une grande verte. L’objectif est de réduire la et de protéger l’environnement. La mairie organise aussi des affiches et des réunions pour la des habitants : comment choisir un transport plus et plus écologique au quotidien ?
Steeds meer Fransen gaan zonder auto naar het werk. In onze stad biedt het stadhuis een nieuwe app aan om het carpoolen en het openbaar vervoer te organiseren. Inwoners kunnen ook een step of een elektrische auto lenen voor korte ritten.

De stad maakt elk jaar een nieuw fietspad en sluit sommige straten af om een grote groene zone te creëren. Het doel is de vervuiling te verminderen en het milieu te beschermen. Het stadhuis hangt ook affiches op en organiseert bijeenkomsten om inwoners te bewustmaken : hoe kies je dagelijks een duurzamer en milieuvriendelijker vervoermiddel?

  1. Quels moyens de transport la mairie propose-t-elle dans la ville ?

    (Welke vervoermiddelen stelt het stadhuis in de stad voor?)

Oefening 3: Luistervaardigheid

Instructie: Luister naar het audiofragment en geef aan of de volgende uitspraken waar of onwaar zijn.

Depuis deux semaines, je vais au travail sans voiture. J’ai pris un abonnement aux transports en commun. Le métro est rapide, mais ma ligne est souvent pleine le matin. Quand il fait beau, je prends le vélo. Il y a une piste cyclable dans la zone verte près de mon bureau et une station de vélos en libre-service à côté de mon arrêt de tram. Le bus passe souvent, mais il est plus lent. C’est plus écologique.
(Sinds twee weken ga ik zonder auto naar mijn werk. Ik heb een abonnement op het openbaar vervoer genomen. De metro is snel, maar mijn lijn is 's ochtends vaak vol. Als het mooi weer is, neem ik de fiets. Er is een fietspad in de groene zone bij mijn kantoor en een deelfietsenstation naast mijn tramhalte. De bus komt vaak, maar is langzamer. Dat is milieuvriendelijker.)
Waar Onwaar

(Ze vermijdt de auto om naar het werk te gaan sinds kort.)

('s ochtends is haar metrolijn meestal rustig en bijna leeg.)

(Ze kan bij de tramhalte een fiets huren.)

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Quand je travaillais à Paris, je ___ souvent tard au bureau pour éviter les transports en commun aux heures de pointe.

(Toen ik in Parijs werkte, ik ___ vaak tot laat op kantoor om het openbaar vervoer tijdens de spits te vermijden.)

2. Avant d’avoir une voiture électrique, nous ___ toujours dans notre quartier le week-end, car le centre-ville était trop pollué.

(Voordat we een elektrische auto hadden, we ___ altijd in onze buurt in het weekend, omdat het centrum te vervuild was.)

3. Quand il y avait des grèves de train, mes collègues ___ au télétravail pour éviter de voyager en train pendant des heures.

(Als er treinstakingen waren, mijn collega’s ___ thuis om te voorkomen dat ze urenlang met de trein moesten reizen.)

Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Discussievragen

Instructie: Beantwoord de vragen met het vocabulaire uit dit hoofdstuk.

Nuttige uitdrukkingen:

D’habitude, je viens en… / Pour moi, le moyen de transport le plus pratique, c’est… / Je trouve que c’est plus écologique parce que…

  1. Comment venez-vous au travail ou à l’université en général ? Pourquoi choisissez-vous ce moyen de transport ?
    Hoe komt u meestal naar uw werk of naar de universiteit? Waarom kiest u voor dit vervoermiddel?

    __________________________________________________________________________________________________________

  2. Dans votre ville, quels transports en commun utilisez-vous parfois ? Dans quelles situations les prenez-vous ?
    Welk openbaar vervoer gebruikt u soms in uw stad? In welke situaties neemt u het?

    __________________________________________________________________________________________________________

  3. Imaginez que vous devez rendre visite à un ami dans une autre ville en France. Préférez-vous voyager en train, en voiture ou autrement ? Expliquez pourquoi.
    Stel dat u een vriend(in) in een andere stad in Frankrijk moet bezoeken. Reist u liever met de trein, de auto of op een andere manier? Leg uit waarom.

    __________________________________________________________________________________________________________

  4. Pour vous, qu’est‑ce qu’un transport « durable » dans la vie de tous les jours ? Donnez un exemple concret de votre routine.
    Wat betekent voor u 'duurzaam vervoer' in het dagelijks leven? Geef een concreet voorbeeld uit uw routine.

    __________________________________________________________________________________________________________

Oefening 7: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie


Salut,

Demain il y a une grève du train et des transports en commun. Ma voiture électrique est libre. Je peux passer te prendre vers 8h, près de la piste cyclable, devant le parc.

Tu veux venir en co-voiturage avec moi ? Ou tu préfères la trottinette ou la marche ? Pour moi, c’est mieux pour la pollution, c’est plus durable.

Dis-moi ce que tu préfères.

À demain,
Luc


Hoi,

Morgen is er een staking van de trein en het openbaar vervoer. Mijn elektrische auto is vrij. Ik kan je rond 8 uur ophalen, vlakbij het fietspad, voor het park.

Wil je met me meeliften? Of geef je de voorkeur aan de step of te lopen? Voor mij is het beter voor de vervuiling, het is duurzamer.

Zeg even wat je liever hebt.

Tot morgen,
Luc


Nuttige zinnen:

  1. Merci pour ton message,

    (Bedankt voor je bericht,)

  2. Je préfère venir en…

    (Ik kom liever met...)

  3. Je peux être au point de rendez-vous à…

    (Ik kan om... bij de ontmoetingsplek zijn)

Salut Luc,

Merci pour ton message. Je veux bien venir en co-voiturage avec toi, c’est plus simple pour moi et c’est écologique. Je peux être devant le parc à 8h. Si tu es en retard, envoie-moi un SMS.

À demain,
Alex

Hoi Luc,

Bedankt voor je bericht. Ik kom graag met je mee, dat is gemakkelijker voor mij en ook beter voor het milieu. Ik kan om 8 uur voor het park zijn. Als je te laat bent, stuur me dan even een sms.

Tot morgen,
Alex