Verbos modales - ¿Puedes venir esta noche a la función?

Modale werkwoorden - Kun je vanavond naar de voorstelling?


Modale werkwoorden zoals 'kunnen', 'moeten', 'mogen', 'willen', en 'zullen' worden gebruikt om mogelijkheid, verplichting, toestemming, wens of de toekomst uit te drukken.

(Los verbos modales como 'kunnen', 'moeten', 'mogen', 'willen' y 'zullen' se usan para expresar posibilidad, obligación, permiso, deseo o el futuro.)

¿Qué hacen los verbos modales (B1)?

Los verbos modales (por ejemplo kunnen, moeten, mogen, willen, zullen) añaden una idea extra al verbo principal: posibilidad, obligación, permiso, deseo o futuro/plan.

  • kunnen = poder / ser posible
  • moeten = tener que / deber
  • mogen = tener permiso / estar permitido
  • willen = querer
  • zullen = (probablemente) / promesa / plan / futuro

Regla clave: modal en posición 2 + infinitivo al final

En una frase normal, el verbo conjugado va en posición 2. Con un modal, el otro verbo suele ir en infinitivo al final.

Estructura Ejemplo correcto Evita
Sujeto + modal + … + infinitivo We kunnen vanavond naar de voorstelling gaan. We kunnen gaan naar de voorstelling.
… + modal + … + infinitivo (si empieza con tiempo/lugar) Vanavond kunnen we naar de voorstelling gaan. Vanavond kunnen we gaan naar de voorstelling.

Cómo elegir el modal (lo que más confunde)

Quieres decir… Modal Ejemplo (NL)
Es posible / tengo capacidad kunnen Ik kan morgen niet komen.
Es obligatorio (regla / necesidad) moeten Je moet je telefoon uitzetten.
Está permitido / tienes permiso mogen Je mag hier niet parkeren.
Deseo / preferencia willen We willen graag vooraan zitten.
Plan / promesa / predicción suave zullen De vergadering zal om 09.00 uur beginnen.

Negación: “niet” y verbos modales

  • La negación suele ir antes del infinitivo (lo que “no” sucede).

Ejemplos

  • Je mag tijdens de voorstelling niet praten.
  • We kunnen de tickets niet kopen zonder kaart.

Si niegas un sustantivo concreto, niet puede ir delante de ese elemento:

  • Je mag geen foto’s maken. (geen + sustantivo plural/indefinido)

Atajo para hablar con precisión: “kunnen” vs “mogen”

  • kunnen = ¿es posible / soy capaz?
  • mogen = ¿está permitido?
Situación Correcto Significado
Reglas del teatro Je mag hier niet praten. No está permitido
Capacidad/tiempo Ik kan vanavond niet komen. No me es posible

“Zullen” en la vida profesional (B1)

Zullen suena menos directo que una afirmación “dura”. Muy útil en trabajo para planes y acuerdos.

  • Plan / acuerdo: Ik zal je vandaag nog mailen.
  • Predicción: Het zal wel druk zijn in de pauze.

Checklist rápida (autocorrección)

  1. ¿He puesto el modal conjugado en posición 2? (kan/moet/mag/wil/zal)
  2. ¿El otro verbo está en infinitivo al final? (gaan, kopen, praten, beginnen…)
  3. Si hay “no”, ¿niet está justo antes del infinitivo? (niet praten / niet kopen)
  4. Si hablo de permiso, ¿uso mogen y no kunnen?
Werkwoord (Verbo)Gebruik (Uso)Voorbeeld (Ejemplo)
kunnenMogelijkheid (Posibilidad)We **kunnen** de tickets kopen. (**Podemos** comprar las entradas.)
moetenVerplichting (Obligación)Je **moet** op tijd komen. (**Tienes que** llegar a tiempo.)
mogenToestemming (Permiso)Je **mag** niet praten tijdens de film. (No **puedes** hablar durante la película.)
willenWens (Deseo)Ik **wil** graag de film zien. (Me **gustaría** ver la película.)
zullenToekomst (Futuro)De film **zal** beginnen om 8 uur. (La película **empezará** a las 8.)

¡Excepciones!

  1. Con 'kunnen' y 'willen' a menudo usas un infinitivo.

Ejercicio 1: Opción múltiple

Instrucción: Elige la respuesta correcta

1. We ___ vanavond naar de voorstelling gaan, maar dan moeten we nu online tickets kopen.

We ___ vanavond naar de voorstelling gaan, maar dan moeten we nu online tickets kopen.

2. Je ___ je telefoon uitzetten zodra de acteurs op het podium staan.

Je ___ je telefoon uitzetten zodra de acteurs op het podium staan.

3. In deze zaal ___ je tijdens de voorstelling niet praten, ook niet als je achterin zit.

In deze zaal ___ je tijdens de voorstelling niet praten, ook niet als je achterin zit.

4. De dirigent zegt dat het concert om acht uur ___ beginnen, dus we gaan op tijd in de rij staan.

De dirigent zegt dat het concert om acht uur ___ beginnen, dus we gaan op tijd in de rij staan.

Ejercicio 2: Reescribe las frases

Instrucción: Reescribe las oraciones con el verbo modal que está entre paréntesis. Pon el segundo verbo en infinitivo cuando sea necesario (por ejemplo: Yo voy en tren. → Yo puedo ir en tren).

Mostrar/Ocultar traducción Mostrar/Ocultar pistas
  1. Pista Pista (kunnen) Ik ga vanavond naar de sportschool, maar alleen als ik tijd heb.
    ⇒ ______________________________________________________________________ Example
    Ik kan vanavond naar de sportschool gaan, maar alleen als ik tijd heb.
    (Puedo ir al gimnasio esta noche, pero solo si tengo tiempo.)
  2. Pista Pista (moeten) Je levert het formulier vandaag in bij HR.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Je moet het formulier vandaag inleveren bij HR.
    (Debes entregar el formulario hoy en RR. HH.)
  3. Pista Pista (mogen) Je neemt in dit kantoor geen privételefoontjes aan.
    ⇒ ______________________________________________________ Example
    Je mag in dit kantoor geen privételefoontjes aannemen.
    (No puedes atender llamadas personales en esta oficina.)
  4. Pista Pista (willen) Ik zie graag het appartement voordat ik beslis.
    ⇒ ____________________________________________________ Example
    Ik wil het appartement graag zien voordat ik beslis.
    (Quiero ver el apartamento antes de decidir.)

Ejercicio 3: Gramática en acción

Instrucción: Hablad sobre quién va, qué hace falta y quién hace qué tarea esta noche.

Mostrar/Ocultar traducción
Situación
Je organiseert met collega’s een theateravond en regelt praktische afspraken voor vanavond.
(Organizas con compañeros una noche de teatro y arregláis los detalles prácticos para esta noche.)

Discutir
  • Welke voorstelling willen jullie zien en waarom past die bij ons team? (¿Qué obra queréis ver y por qué encaja con nuestro equipo?)
  • Kun je vanavond op tijd zijn of moet je eerst iets afronden op het werk? (¿Puedes llegar a tiempo esta noche o antes tienes que acabar algo en el trabajo?)

Palabras y frases útiles
  • De voorstelling begint om acht uur - kunnen we op tijd zijn? (La función empieza a las ocho — ¿podremos llegar a tiempo?)
  • Ik moet eerst iets afmaken op het werk, ik kan later komen. (Primero tengo que terminar algo en el trabajo, puedo llegar más tarde.)
  • Mag ik tijdens de voorstelling geen foto’s maken of mag dat wel? (¿Está permitido hacer fotos durante la función o no se pueden hacer?)

Usar en conversación
  • kunnen + infinitief (poder + infinitivo)
  • moeten + infinitief (tener que + infinitivo)
  • mogen + infinitief (permitir + infinitivo / poder + infinitivo)

Escrito por

Este contenido ha sido diseñado y revisado por el equipo pedagógico de coLanguage. Sobre coLanguage

Profile Picture

Yoni De Ketelaere

Grado en Gestión Internacional de Empresas

HOGENT

University_Logo

Bélgica


Última actualización:

Martes, 24/03/2026 16:39