Modale werkwoorden zoals 'kunnen', 'moeten', 'mogen', 'willen', en 'zullen' worden gebruikt om mogelijkheid, verplichting, toestemming, wens of de toekomst uit te drukken.
(Los verbos modales como
| Werkwoord (Verbo) | Gebruik (Uso) | Voorbeeld (Ejemplo) |
|---|---|---|
| kunnen | Mogelijkheid (Posibilidad) | We **kunnen** de tickets kopen. (**Podemos** comprar las entradas.) |
| moeten | Verplichting (Obligación) | Je **moet** op tijd komen. (**Tienes que** llegar a tiempo.) |
| mogen | Toestemming (Permiso) | Je **mag** niet praten tijdens de film. (No **puedes** hablar durante la película.) |
| willen | Wens (Deseo) | Ik **wil** graag de film zien. (Me **gustaría** ver la película.) |
| zullen | Toekomst (Futuro) | De film **zal** beginnen om 8 uur. (La película **empezará** a las 8.) |
¡Excepciones!
- Con 'kunnen' y 'willen' a menudo usas un infinitivo.
Ejercicio 1: Opción múltiple
Instrucción: Elige la respuesta correcta
1. We ___ vanavond naar de voorstelling gaan, maar dan moeten we nu online tickets kopen.
We ___ vanavond naar de voorstelling gaan, maar dan moeten we nu online tickets kopen.2. Je ___ je telefoon uitzetten zodra de acteurs op het podium staan.
Je ___ je telefoon uitzetten zodra de acteurs op het podium staan.3. In deze zaal ___ je tijdens de voorstelling niet praten, ook niet als je achterin zit.
In deze zaal ___ je tijdens de voorstelling niet praten, ook niet als je achterin zit.4. De dirigent zegt dat het concert om acht uur ___ beginnen, dus we gaan op tijd in de rij staan.
De dirigent zegt dat het concert om acht uur ___ beginnen, dus we gaan op tijd in de rij staan.Ejercicio 2: Reescribe las frases
Instrucción: Reescribe las oraciones con el verbo modal que está entre paréntesis. Pon el segundo verbo en infinitivo cuando sea necesario (por ejemplo: Yo voy en tren. → Yo puedo ir en tren).
-
⇒ ______________________________________________________________________ ExampleIk kan vanavond naar de sportschool gaan, maar alleen als ik tijd heb.(Puedo ir al gimnasio esta noche, pero solo si tengo tiempo.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleJe moet het formulier vandaag inleveren bij HR.(Debes entregar el formulario hoy en RR. HH.)
-
⇒ ______________________________________________________ ExampleJe mag in dit kantoor geen privételefoontjes aannemen.(No puedes atender llamadas personales en esta oficina.)
-
⇒ ____________________________________________________ ExampleIk wil het appartement graag zien voordat ik beslis.(Quiero ver el apartamento antes de decidir.)
Ejercicio 3: Gramática en acción
Instrucción: Hablad sobre quién va, qué hace falta y quién hace qué tarea esta noche.
- Welke voorstelling willen jullie zien en waarom past die bij ons team? (¿Qué obra queréis ver y por qué encaja con nuestro equipo?)
- Kun je vanavond op tijd zijn of moet je eerst iets afronden op het werk? (¿Puedes llegar a tiempo esta noche o antes tienes que acabar algo en el trabajo?)
- De voorstelling begint om acht uur - kunnen we op tijd zijn? (La función empieza a las ocho — ¿podremos llegar a tiempo?)
- Ik moet eerst iets afmaken op het werk, ik kan later komen. (Primero tengo que terminar algo en el trabajo, puedo llegar más tarde.)
- Mag ik tijdens de voorstelling geen foto’s maken of mag dat wel? (¿Está permitido hacer fotos durante la función o no se pueden hacer?)
- kunnen + infinitief (poder + infinitivo)
- moeten + infinitief (tener que + infinitivo)
- mogen + infinitief (permitir + infinitivo / poder + infinitivo)