Overzicht van Duitse grammatica A1 (beginners)

Officieel curriculum Gestructureerde cursussen van A1 tot B2
3 maanden om te voltooien Flexibele duur, aangepast aan je schema
Suited for Exam preparation Goethe
Leerportaal App + PDF-downloads

A1.1.2: Personalpronomen (ich, du, er, sie, etc.) (Persoonlijke voornaamwoorden (ich, du, er, sie, etc.))

Type: Voornaamwoorden
Hoofdstuk: Grüße und Abschiede (Groeten en afscheid)
Module 1 (A1): Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)

A1.2.2: Das Alphabet (Het alfabet)

Type: Alfabet
Hoofdstuk: Deinen Namen sagen (Je naam zeggen)
Module 1 (A1): Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)

A1.2.3: Aussprache (uitspraak)

Type: Alfabet
Hoofdstuk: Deinen Namen sagen (Je naam zeggen)
Module 1 (A1): Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)

A1.3.2: Bestimmte und unbestimmte Artikel (Der/ die/ das oder ein/ eine) (Bepaalde en onbepaalde lidwoorden (Der/ die/ das oder ein/ eine))

Type: Artikelen
Hoofdstuk: Woher kommst du? (Waar kom je vandaan?)
Module 1 (A1): Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)

A1.3.3: Nomen und ihre Pluralformen (Zelfstandige naamwoorden en hun meervoudsvormen)

Type: Zelfstandige naamwoorden
Hoofdstuk: Woher kommst du? (Waar kom je vandaan?)
Module 1 (A1): Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)

A1.4.2: Kardinalzahlen (Kardinalgetallen)

Type: Nummers
Hoofdstuk: Zahlen und Zählen (Cijfers en tellen)
Module 1 (A1): Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)

A1.5.2: Possessivartikel (mein, dein, ...) (Bezittelijke voornaamwoorden (mein, dein, ...))

Type: Artikelen
Hoofdstuk: Familie (Familie)
Module 1 (A1): Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)

A1.5.3: Konjugation der regelmäßigen Verben (Ich kaufe, du kaufst, etc.) (Verbuiging van regelmatige werkwoorden (Ich kaufe, du kaufst, etc.))

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Familie (Familie)
Module 1 (A1): Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)

A1.6.2: Position des Verbs im Satz (positie van het werkwoord in de zin)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Sagen Sie Ihr Alter (Je leeftijd zeggen)
Module 1 (A1): Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)

A1.7.2: Fragewörter: Wer, Was und Welcher/Welche/Welches (Vraagwoorden: wie, wat en welke)

Type: Vragen
Hoofdstuk: Berufe und Studium (Beroepen en studies)
Module 1 (A1): Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)

A1.8.2: Nomen und Artikel - Akkusativ (der/die/das oder ein/eine) (Zelfstandige naamwoorden en lidwoorden - accusatief (der/die/das oder ein/eine))

Type: Artikelen
Hoofdstuk: Adresse und Kontaktdaten (Adres en contactgegevens)
Module 1 (A1): Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)

A1.8.3: Personalpronomen und Possessivartikel - Akkusativ (mir, meinen/meine, etc.) (Persoonlijk voornaamwoorden en bezittelijke voornaamwoorden - accusatief (mir, meinen/meine, etc.))

Type: Artikelen
Hoofdstuk: Adresse und Kontaktdaten (Adres en contactgegevens)
Module 1 (A1): Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)

A1.9.2: Präpositionen: Zeiten angeben (Am Montag) (Voorzetsels: tijden aangeven (Am Montag))

Type: Voorzetsels
Hoofdstuk: Wochentage und Tagesabschnitte (Dagen van de week en dagdelen)
Module 2 (A1): Von Stunden zu Jahreszeiten (Van uren tot seizoenen)

A1.10.2: Kein vs Nicht (Kein versus niet)

Type: Artikelen
Hoofdstuk: Das Wetter (Het weer)
Module 2 (A1): Von Stunden zu Jahreszeiten (Van uren tot seizoenen)

A1.11.2: Ordinalzahlen (erste, zweite, dritte, etc.) (Rangtelwoorden (erste, zweite, dritte, etc.))

Type: Nummers
Hoofdstuk: Ordnungszahlen (Rangtelwoorden)
Module 2 (A1): Von Stunden zu Jahreszeiten (Van uren tot seizoenen)

A1.12.2: Zukunft im Präsens (Morgen fahre ich nach Paris) (Toekomstdel in de tegenwoordige tijd (Morgen fahre ich nach Paris))

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Jahreszeiten, Monate und Teile des Jahres (Seizoenen, maanden en delen van het jaar)
Module 2 (A1): Von Stunden zu Jahreszeiten (Van uren tot seizoenen)

A1.13.2: Wie sagt man die Uhrzeit? (Es ist acht Uhr) (Hoe geef je de tijd aan? Es ist acht Uhr)

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Uhrzeit und Uhr ablesen (Hoe laat is het? De klok lezen.)
Module 2 (A1): Von Stunden zu Jahreszeiten (Van uren tot seizoenen)

A1.14.2: Nomen und Artikel - Dativ (dem, der, den) (Zelfstandige naamwoorden en lidwoorden - datief (dem, der, den))

Type: Artikelen
Hoofdstuk: Kalenderdaten und Feiertage (Kalenderdata en feestdagen)
Module 2 (A1): Von Stunden zu Jahreszeiten (Van uren tot seizoenen)

A1.14.3: Personalpronomen - Dativ (mir, dir, etc.) (Persoonlijke voornaamwoorden - datief (mir, dir, enz.))

Type: Voornaamwoorden
Hoofdstuk: Kalenderdaten und Feiertage (Kalenderdata en feestdagen)
Module 2 (A1): Von Stunden zu Jahreszeiten (Van uren tot seizoenen)

A1.15.2: Konjunktionen aber, denn, oder, weil, und (Voegwoorden aber, denn, oder, weil, und)

Type: Voegwoord
Hoofdstuk: Tägliches Essen (Dagelijks eten)
Module 3 (A1): Tag für Tag (Dag tot dag)

A1.16.2: Reflexive Verben (Wederkerende werkwoorden)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Tägliche Routine (Dagelijkse routines)
Module 3 (A1): Tag für Tag (Dag tot dag)

A1.17.2: Trennbare Verben (e.g. Ich hole die Eier ab) (Trennbare werkwoorden (e.g. Ich hole die Eier ab))

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Kochen und Backen (Koken en bakken)
Module 3 (A1): Tag für Tag (Dag tot dag)

A1.18.2: Fragen stellen (Ja/Nein-Fragen, W-Fragen, ...) (Vragen stellen (Ja/Nein-Fragen, W-Fragen, ...))

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Dinge fragen (Dingen vragen)
Module 3 (A1): Tag für Tag (Dag tot dag)

A1.19.2: Possessivartikel - Dativ (meinem/meiner, deinem/deiner, etc.) (Possessiefartikelen - datief (meinem/meiner, deinem/deiner, etc.))

Type: Artikelen
Hoofdstuk: Preise und Geld (Prijzen en geld)
Module 3 (A1): Tag für Tag (Dag tot dag)

A1.20.2: Verben mit Stammveränderung (Ich laufe, du läufst, etc.) (Werkwoorden met stamverandering (Ich laufe, du läufst, etc.))

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Lebensmittel einkaufen (Boodschappen doen)
Module 3 (A1): Tag für Tag (Dag tot dag)

A1.21.2: Modalverben (sollen, können, müssen),... (Modale werkwoorden (sollen, können, müssen),...)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Im Kleidungsgeschäft (In de kledingwinkel)
Module 3 (A1): Tag für Tag (Dag tot dag)

A1.22.2: Die unregelmäßigen Verben sein, haben, wissen, werden (De onregelmatige werkwoorden sein, haben, wissen, werden)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Körperteile (Lichaamsdelen)
Module 3 (A1): Tag für Tag (Dag tot dag)

A1.23.2: Adjektive im Nominativ mit (un)bestimmten Artikeln (e.g. ein/der große(r) Mann) (Adjectieven in de nominatief met (on)bepaalde lidwoorden (e.g. ein/der große(r) Mann))

Type: Bijvoeglijke naamwoorden
Hoofdstuk: Körperliche Merkmale (Fysiek en uiterlijk)
Module 4 (A1): Objekte und Personen beschreiben (Objecten en mensen beschrijven)

A1.24.2: Vorlieben und Abneigungen: Mir gefällt (nicht)... (Voorkeuren en afkeuren: Ik vind (niet) leuk...)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Farben (Kleuren)
Module 4 (A1): Objekte und Personen beschreiben (Objecten en mensen beschrijven)

A1.25.2: „Nicht, sehr, zu, ein bisschen“ mit Adjektiven und Verben (Niet, heel, te, een beetje met bijvoeglijke naamwoorden en werkwoorden)

Type: Bijwoorden
Hoofdstuk: Emotionen und Gefühle (Emoties en gevoelens)
Module 4 (A1): Objekte und Personen beschreiben (Objecten en mensen beschrijven)

A1.26.2: Der Komparativ (laut, lauter) (De vergrotende trap (laut, lauter))

Type: Bijvoeglijke naamwoorden
Hoofdstuk: Sinne und Wahrnehmung (Zintuigen en waarnemen)
Module 4 (A1): Objekte und Personen beschreiben (Objecten en mensen beschrijven)

A1.27.2: Das Demonstrativpronomen (dieser, diese, dieses) (Het aanwijzend voornaamwoord (deze, dit, deze))

Type: Voornaamwoorden
Hoofdstuk: Formen und Gestalten (Vormen en figuren)
Module 4 (A1): Objekte und Personen beschreiben (Objecten en mensen beschrijven)

A1.28.2: Der Komparativ - unregelmäßige Adjektive (älter, größer, ...) (De vergelijking - onregelmatige bijvoeglijke naamwoorden (älter, größer, ... ))

Type: Bijvoeglijke naamwoorden
Hoofdstuk: Charakter und Persönlichkeit (Karakter en persoonlijkheid)
Module 4 (A1): Objekte und Personen beschreiben (Objecten en mensen beschrijven)

A1.29.2: Negation mit „nicht" und „kein" in ganzen Sätzen (Negatie met „nicht" en „kein" in gehele zinnen)

Type: Bijwoorden
Hoofdstuk: Körperliche Zustände und Empfindungen (Fysieke toestanden en sensaties)
Module 4 (A1): Objekte und Personen beschreiben (Objecten en mensen beschrijven)

A1.30.2: Modaladverbien (modale bijwoorden)

Type: Bijwoorden
Hoofdstuk: Krankheit und Schmerz (Ziekte en pijn)
Module 4 (A1): Objekte und Personen beschreiben (Objecten en mensen beschrijven)

A1.31.2: „Es gibt" mit Akkusativ („Es gibt" met accusatief)

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Unser Haus (Ons huis)
Module 5 (A1): Zu Hause (Thuis)

A1.32.2: „Es gibt" vs „sein" („Es gibt" vs "sein")

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Möbel (Meubilair)
Module 5 (A1): Zu Hause (Thuis)

A1.33.2: Ortspräpositionen mit Akkusativ und Dativ ( an, auf, in, hinter, neben, ...) (Plaatsvoorzetsels met accusatief en datief (an, auf, in, hinter, neben, ...))

Type: Voorzetsels
Hoofdstuk: Geschirr (Servies)
Module 5 (A1): Zu Hause (Thuis)

A1.34.2: Verschmelzung von Präposition und Artikel im Dativ (am, zum, beim, ...) (Samensmelting van voorzetsel en lidwoord in de datief (am, zum, beim, ...))

Type: Voorzetsels
Hoofdstuk: Haushaltsgeräte (Huishoudelijke apparaten)
Module 5 (A1): Zu Hause (Thuis)

A1.35.2: Konnektoren: weil, dann, auch, auch nicht (Koppelwoorden: omdat, dan, ook, ook niet)

Type: Voegwoord
Hoofdstuk: Wohnen und Unterbringung (Huisvesting en accommodatie)
Module 5 (A1): Zu Hause (Thuis)

A1.36.2: Die Verlaufsform im Präsens ( „Ich spiele gerade Fußball") (De tegenwoordige tijd in voortdurende vorm („Ik ben net aan het voetballen"))

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Zimmerpflanzen und Gartenpflanzen (Kamerplanten en tuinplanten)
Module 5 (A1): Zu Hause (Thuis)

A1.37.2: Realer Konditionalsatz: Wenn … dann … (Realer Konditionalsatz: Wenn … dann …)

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Ihre Haustiere (Jouw huisdieren)
Module 5 (A1): Zu Hause (Thuis)

A1.38.2: Das Partizip II: Bildung und Verwendung (Het voltooid deelwoord (Partizip II): vorming en gebruik)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Tägliche Dienstleistungen (Dagelijkse diensten)
Module 6 (A1): Die Stadt und das Dorf (De stad en het dorp)

A1.39.2: Das Perfekt: Bildung mit „sein“ und „haben“ (De voltooide tijd: vorming met „sein“ en „haben”)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Essen bestellen und auswärts essen (Eten bestellen en uit eten gaan)
Module 6 (A1): Die Stadt und das Dorf (De stad en het dorp)

A1.40.2: Adverbien der Häufigkeit (immer, oft, nie) (Bijwoordelijke bepalingen van frequentie (altijd, vaak, nooit))

Type: Bijwoorden
Hoofdstuk: Sport und Bewegung (Sport en beweging)
Module 6 (A1): Die Stadt und das Dorf (De stad en het dorp)

A1.41.2: Wichtige Zeitadverbien für den Alltag (jetzt, heute, morgen, ...) (Belangrijke tijdsbijwoorden voor het dagelijks leven (nu, vandaag, morgen, ...))

Type: Bijwoorden
Hoofdstuk: Hobbys beschreiben (Hobby's beschrijven)
Module 6 (A1): Die Stadt und das Dorf (De stad en het dorp)

A1.42.2: Richtungspräpositionen mit Akkusativ (nach, zu, in, ...) (Richtingsvoorzetsels met accusatief (naar, naar, in, ...))

Type: Voorzetsels
Hoofdstuk: Transportmittel (Transport)
Module 6 (A1): Die Stadt und das Dorf (De stad en het dorp)

A1.43.2: Ortsangaben und Wegbeschreibungen: „rechts, links, geradeaus..." (Plaatsaanduidingen en routebeschrijvingen: „rechts, links, rechtdoor...")

Type: Voorzetsels
Hoofdstuk: Nach dem Weg fragen und ihn geben (Routebeschrijving vragen en geven)
Module 6 (A1): Die Stadt und das Dorf (De stad en het dorp)

A1.44.2: Der Imperativ (de imperatief)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Freitagabend (Vrijdagavond uit)
Module 6 (A1): Die Stadt und das Dorf (De stad en het dorp)

A1.45.2: Das Zustandspassiv im Deutschen (Het Zustandspassief in het Duits)

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Musik und Kunst (Muziek en kunst)
Module 6 (A1): Die Stadt und das Dorf (De stad en het dorp)