Lerne wann du „nicht" und wann du „kein" verwendest.

(Leer wanneer je „nicht“ en wanneer je „kein“ gebruikt.)

Overzicht: wanneer „kein“ en wanneer „nicht“?

  • „kein“ = je ontkent een zelfstandig naamwoord (iets dat je kunt tellen of benoemen).
  • „nicht“ = je ontkent alles wat geen zelfstandig naamwoord is (werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, hele zin …).

Vergelijk met het Nederlands:

  • kein ≈ „geen“
  • nicht ≈ „niet“

Stap 1 – „kein“: ontken een zelfstandig naamwoord

Gebruik „kein“ als je in de positieve zin „ein / eine / ein“ zou hebben of helemaal geen lidwoord.

  • Ich habe ein Auto. → Ich habe kein Auto.
  • Ich habe Zeit. → Ich habe keine Zeit.
  • Das ist eine Idee. → Das ist keine Idee.

Belangrijk: „kein“ krijgt dezelfde uitgangen als het onbepaalde lidwoord ein.

Nominativ Akkusativ Dativ
mannelijk kein Mann keinen Mann keinem Mann
vrouwelijk keine Frau keine Frau keiner Frau
onzijdig kein Kind kein Kind keinem Kind
meervoud keine Freunde keine Freunde keinen Freunden

Zelfcheck:

  1. Staat er een zelfstandig naamwoord? (boek, collega, idee …)
  2. Zou je daar „ein / eine / ein“ voor kunnen zetten?
  3. Zo ja → gebruik kein / keine / keinen / keinem / keiner.

Stap 2 – „nicht“: ontken de rest

Gebruik „nicht“ als je géén zelfstandig naamwoord met „ein / eine“ ontkent.

  • Bij een bijvoeglijk naamwoord na „sein“:
    Ich bin nicht müde. (müde = bijvoeglijk naamwoord)
  • Bij een heel werkwoord / hele zin:
    Ich arbeite heute nicht.
    Heute baden wir nicht im Meer.
  • Bij een woord met bepaald lidwoord (der / die / das):
    Ich meine den Chef nicht, ich meine die Kollegin.

Typische plaatsen van „nicht“:

  • voor een bijvoeglijk naamwoord: Ich bin nicht krank.
  • voor een voltooid deelwoord in het perfectum: Ich habe nicht gearbeitet.
  • meestal vlak vóór het zinsdeel dat je ontkent: Ich trinke Kaffee nicht mehr.

Stap 3 – „kein“ of „nicht“? Beslis-boom

  1. Welk woord wil je ontkennen?
    • Een zelfstandig naamwoord → ga naar stap 2.
    • Iets anders (werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, hele zin) → gebruik nicht.
  2. Heeft dat zelfstandig naamwoord een onbepaald lidwoord of geen lidwoord?
    • „ein / eine / ein“ of geen lidwoord → gebruik kein (met goede uitgang).
    • „der / die / das“ of „mein / dein / sein …“ → gebruik nicht.

Voorbeeld 1: Ich habe einen Termin.
→ Zelfstandig naamwoord „Termin“, onbepaald lidwoord „einen“ → Ich habe keinen Termin.

Voorbeeld 2: Ich bin müde.
→ „müde“ is bijvoeglijk naamwoord → Ich bin nicht müde.

Let op: „kein“ + zelfstandig naamwoord, „nicht“ + werkwoord

Nederlandstaligen verwarren vaak:

  • Ich habe nicht Hunger. → Ich habe keinen Hunger.
  • Ich habe nicht Durst. → Ich habe keinen Durst.

Regel hier:

  • Hunger, Durst, Zeit, Lust, Urlaub, Geld … = zelfstandige naamwoorden → kein.

Bij het werkwoord zelf gebruik je „nicht“:

  • Ich esse nicht. (het werkwoord „essen“ wordt ontkend)

Speciale uitdrukking: „es gibt“ + „kein“

De combinatie „es gibt“ (er is / er zijn) wordt altijd met „kein“ ontkend.

  • Es gibt Kaffee. → Es gibt keinen Kaffee.
  • Es gibt Fragen. → Es gibt keine Fragen.

Tip: denk in het Nederlands: „er is geen …“ → in het Duits: „es gibt kein …“.

Typische combinaties om te onthouden

  • Ich habe keine Zeit.
  • Ich habe keinen Hunger / keinen Durst.
  • Ich habe keine Lust.
  • Ich bin nicht müde.
  • Ich bin nicht krank.
  • Ich arbeite heute nicht.
  • Es gibt kein Problem.

Korte eindcheck: begrijp ik het?

Beantwoord voor jezelf:

  1. Kan ik uitleggen in mijn eigen woorden:
    • wanneer ik kein gebruik?
    • wanneer ik nicht gebruik?
  2. Kan ik deze zinnen spontaan ontkennen?
    • Ich habe ein Problem. → …
    • Ich bin müde. → …
    • Es gibt Kaffee. → …
    • Ich arbeite heute. → …

Als je dit zonder nadenken kunt, heb je het verschil tussen „kein“ en „nicht“ op A1-niveau onder de knie.

  1. „Kein“ wordt gebruikt om zelfstandige naamwoorden met een onbepaald lidwoord of zonder lidwoord te ontkennen.
  2. „Nicht“ ontkent bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden, bepaalde lidwoorden of volledige zinnen.
 Kasus (naamval)Nominativ (nominatief)Akkusativ (accusatief)Dativ (datief)
„kein" (“kein”)Maskulin (mannelijk)kein Mann
Das ist kein Mann.
keinen Mann
Ich sehe keinen Mann.
keinem Mann
Ich helfe keinem Mann.
Feminin (vrouwelijk)keine Frau
Das ist keine Frau.
keine Frau
Ich sehe keine Frau.
keiner Frau
Ich helfe keiner Frau.
Neutrum (onzijdig)kein Kind
Das ist kein Kind.
kein Kind
Ich sehe kein Kind.
keinem Kind
Ich helfe keinem Kind.
Plural (meervoud)keine Freunde
Das sind keine Freunde.
keine Freunde
Ich sehe keine Freunde.
keinen Freunden
Ich helfe keinen Freunden.
 „nicht" (“nicht”) Ich bin nicht müde.Ich sehe das Meer nicht.Ich antworte dem Kind nicht

Uitzonderingen!

  1. „Es gibt" wordt met „kein" ontkend. Voorbeeld: „Es gibt keine Fragen"

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Ich habe heute ___ Hunger, ich mache nur eine kleine Pause.

Ik heb vandaag ___ trek, ik neem alleen even een korte pauze.)

2. Nach dem Joggen habe ich ___ Durst mehr, ich trinke jetzt nichts.

Na het joggen heb ik ___ dorst meer, ik drink nu niets.)

3. Heute baden wir ___ im Meer, es ist zu kalt.

Vandaag zwemmen we ___ in de zee, het is te koud.)

4. Im Röntgenbild sieht man ___ Verletzung, Sie sind nur müde und erschöpft.

Op de röntgenfoto is ___ verwonding te zien, u bent alleen moe en uitgeput.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen en ontken ze met „niet” of „geen/geen/geen/geen/geen”. Let op de juiste naamval. Voorbeeld: Ich habe ein Auto. → Ich habe kein Auto.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (kein) Ich habe einen Termin.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ich habe keinen Termin.
    (Ich habe keinen Termin.)
  2. Hint Hint (kein) Es gibt viele E-Mails.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Es gibt keine E-Mails.
    (Es gibt keine E-Mails.)
  3. Hint Hint (kein) Das ist ein guter Chef.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Das ist kein guter Chef.
    (Das ist kein guter Chef.)
  4. Hint Hint (nicht) Ich bin müde.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ich bin nicht müde.
    (Ich bin nicht müde.)
  5. Hint Hint (kein) Ich trinke heute Kaffee.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ich trinke heute keinen Kaffee.
    (Ich trinke heute keinen Kaffee.)
  6. Hint Hint (nicht) Ich antworte dem Kollegen.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ich antworte dem Kollegen nicht.
    (Ich antworte dem Kollegen nicht.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Voer een kort gesprek: Beschrijf wat goed met u gaat of wat niet goed met u gaat.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Zwei Kollegen machen Pause nach einem langen Arbeitstag und sprechen über ihren Körper.
(Twee collega’s hebben pauze na een lange werkdag en praten over hoe ze zich voelen.)

Bespreek
  • Wie fühlen Sie sich jetzt nach der Arbeit — müde, erschöpft oder wach? (Hoe voelt u zich nu na het werk — moe, uitgeput of juist energiek?)
  • Was brauchen Sie jetzt — Pause, etwas zu essen, Wasser oder nichts? Warum? (Wat heeft u nu nodig — een pauze, iets te eten, water of niets? Waarom?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Ich bin nicht müde, nur ein bisschen erschöpft. (Ik ben niet moe, alleen een beetje uitgeput.)
  • Ich habe keinen Hunger, aber ich habe Durst. (Ik heb geen honger, maar ik heb wel dorst.)
  • Es gibt keine lange Pause heute. (Vandaag is er geen lange pauze.)

Gebruik in gesprek
  • Ich bin nicht … (Ik ben niet ...)
  • Ich habe keinen / keine / kein … (Ik heb geen / geen / geen ...)
  • Es gibt keine … (Er is geen ...)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 18/02/2026 16:59