De duurvorm in de tegenwoordige tijd („Ich spiele gerade Fußball")

Die Verlaufsform im Präsens ( „Ich spiele gerade Fußball")


So sagt man, was man im Moment tut.

(Zo zeg je wat je op dit moment doet.)

Wat betekent dit? (nu, op dit moment)

In het Duits bestaat geen aparte ing-vorm zoals in het Engels. Als je wilt zeggen dat iets nu aan de gang is, gebruik je meestal:

  • Verb + gerade (= “net / op dit moment”)
  • dabei sein + zu + Infinitiv (= “bezig zijn om te …”; je zit midden in de actie)

1) Verb + gerade (kort en heel gebruikelijk)

Gebruik gerade als je simpel wilt aangeven: het gebeurt nu.

Basiszin Met “nu”-betekenis
Ich schreibe eine E-Mail. Ich schreibe gerade eine E-Mail.
Wir telefonieren. Wir telefonieren gerade.
Der Gärtner pflanzt eine Rose. Der Gärtner pflanzt gerade eine Rose.

Waar staat gerade in de zin?

  • In een normale hoofdzin is de veilige plek: na het vervoegde werkwoord (V2-zin).
  • Vaak staat het dus rond “het midden” van de zin.
Structuur Voorbeeld
Onderwerp + werkwoord + gerade + … Ich gieße gerade die Blumen.
Tijd/plaats eerst + werkwoord + onderwerp + gerade + … Im Büro gieße ich gerade die Blumen.

Let op: gerade is hier een bijwoord. Je vervoegt of verbuigt het niet: altijd gerade (niet: geraden).

2) dabei sein + zu + infinitief (extra nadruk: “midden in de handeling”)

Deze constructie klinkt iets explicieter: je bent bezig en de activiteit loopt nog.

Opbouw Voorbeeld
Ich bin dabei, … zu + infinitief Ich bin dabei, die Blumen zu gießen.
Wir sind dabei, … zu + infinitief Wir sind dabei, den Garten zu pflegen.
  • dabei sein wordt vervoegd: ich bin, du bist, er/sie ist, wir sind
  • zu staat direct bij het infinitief: zu gießen, zu telefonieren, zu drucken
  • Vaak staat er een komma: Ich bin dabei, … (zeker handig om aan te houden op A1).

Wanneer kies je welke?

  • gerade = neutraal, snel, het meest gebruikt in alledaagse zinnen.
  • dabei sein + zu = je legt nadruk op “ik ben er echt mee bezig (nu)”.

In veel situaties zijn beide correct. Het verschil is vooral toon (meer/ minder nadruk), niet de basisbetekenis.

Zelfcheck (snelle controle vóór je verdergaat)

  1. Wil je zeggen: nu / op dit moment? → voeg gerade toe.
  2. Wil je zeggen: midden in de activiteit? → gebruik bin/sind dabei, … zu + infinitief.
  3. Staat je werkwoord op plek 2? → zet gerade erna: ich arbeite gerade.
  4. Gebruik je “dabei sein”? → check zu bij het infinitief: zu machen, zu drucken, zu wechseln.
  1. In het Duits is er geen aparte duratieve vorm zoals in het Engels. In plaats daarvan gebruikt men hulpconstructies.
  2. „Gerade“ staat meestal na het onderwerp en het werkwoord.
Struktur (Structuur)Beschreibung (Beschrijving)Beispiele (Voorbeelden)
Verb + gerade  (Werkwoord + gerade )Betont, dass eine Handlung jetzt passiert. (Benadrukt dat een handeling nu gebeurt.)
Ich gieße gerade die Blumen. (Ik geef net de bloemen water.)
Der Gärtner pflanzt gerade eine Rose. (De tuinman plant net een roos.)
dabei sein + zu + Infinitiv (bezig zijn + te + infinitief)Hebt hervor, dass man mitten in einer Handlung ist. (Benadrukt dat je midden in een handeling zit.)
Ich bin dabei, die Blumen zu gießen. (Ik ben bezig de bloemen water te geven.)

Wir sind dabei, den Garten zu pflegen. (Wij zijn bezig de tuin te verzorgen.)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Ich gieße ___ die Blumen im Büro.

Ik geef ___ de bloemen op kantoor water.

2. Wir ___ dabei, den Kaktus zu pflegen.

We ___ bezig de cactus te verzorgen.

3. Der Gärtner pflanzt ___ eine Rose.

De tuinman plant ___ een roos.

4. Ich bin dabei, die Erde ___ wechseln.

Ik ben bezig de aarde ___ vervangen.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen: Druk uit dat de handeling nu plaatsvindt en gebruik „gerade“ of „dabei sein + te + infinitief“ (Voorbeeld: Ich koche. → Ich koche gerade. / Ich bin dabei, zu kochen.).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (gerade) Ich schreibe eine E-Mail an meinen Chef.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ich schreibe gerade eine E‑Mail an meinen Chef.
    (Ik schrijf net een e‑mail aan mijn baas.)
  2. Wir telefonieren mit dem Kunden.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Wir sind dabei, mit dem Kunden zu telefonieren.
    (Wij zijn bezig met de klant te bellen.)
  3. Hint Hint (gerade) Er macht eine Pause.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Er macht gerade Pause.
    (Hij pauzeert net.)
  4. Meine Kollegin druckt die Dokumente.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Meine Kollegin ist dabei, die Dokumente zu drucken.
    (Mijn collega is bezig de documenten af te drukken.)
  5. Ich koche das Abendessen.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ich bin dabei, das Abendessen zu kochen.
    (Ik ben bezig het avondeten te koken.)
  6. Hint Hint (gerade) Die Gärtnerin pflanzt eine Rose.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Die Gärtnerin pflanzt gerade eine Rose.
    (De tuinierster plant net een roos.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Spreek met z’n tweeën: de één vraagt, de ander antwoordt, daarna wisselen.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Im Gartencenter suchen Sie Pflanzen für das Büro und besprechen Pflege.
(In het tuincentrum zoekt u planten voor het kantoor en bespreekt u de verzorging.)

Bespreek
  • Welche Pflanze kaufen Sie gerade für Ihr Büro und warum? (Welke plant koopt u nu voor uw kantoor en waarom?)
  • Was machen Sie gerade mit der Pflanze: gießen, umtopfen oder pflegen? (Wat doet u nu met de plant: water geven, verpotten of verzorgen?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Ich gieße gerade die Pflanze. (Ik geef de plant nu water.)
  • Ich bin dabei, die Blume zu gießen. (Ik ben bezig de bloem water te geven.)
  • Der Gärtner hilft gerade beim Umtopfen. (De tuinier helpt nu met het verpotten.)

Gebruik in gesprek
  • Verb + gerade (Werkwoord + gerade)
  • dabei sein + zu + Infinitiv (dabei sein + zu + infinitief)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

vrijdag, 17/04/2026 05:26