Konnektoren haben folgende Funktion: Sätze logisch verbinden – Gründe geben, Folgen ausdrücken und Informationen ergänzen.

(Connectors hebben de volgende functie: zinnen logisch met elkaar verbinden – redenen geven, gevolgen uitdrukken en informatie aanvullen.)

1. Overzicht: wanneer gebruik je weil, dann, auch, auch nicht?

  • weil = omdat ⇒ reden geven
  • dann = dan / daarna ⇒ volgende stap of gevolg
  • auch = ook ⇒ iets extra’s, positieve aansluiting
  • auch nicht = ook niet ⇒ negatieve aansluiting

Vraag je bij elke zin af:

  • Leg ik een reden uit? ⇒ gebruik weil.
  • Zeg ik wat er daarna gebeurt? ⇒ gebruik dann.
  • Voeg ik iets positiefs toe? ⇒ gebruik auch.
  • Ben ik het negatief met iemand eens / voeg ik een tweede “niet” toe? ⇒ gebruik auch nicht.

2. weil = een reden geven (omdat)

Betekenis

  • weil beantwoordt de vraag: Warum? (Waarom?).
  • In het Nederlands: omdat.

Belangrijke regel: werkwoord helemaal achteraan

Na weil komt in het Duits het persoonsvorm-werkwoord op het eind van de zin.

Nederlands Duits goed Duits fout
Ik huur het huis omdat het rustig is. Ich miete das Haus, weil es ruhig ist. Ich miete das Haus, weil es ist ruhig.
Ik blijf thuis omdat ik ziek ben. Ich bleibe zu Hause, weil ich krank bin. Ich bleibe zu Hause, weil ich bin krank.

Let op woordvolgorde na de weil-zin

  • Je kunt met de hoofdzin beginnen: werkwoord op plaats 2.
  • Je kunt ook met de weil-zin beginnen: dan komt in de tweede zin eerst het werkwoord.
Structuur Voorbeeld
Hoofdzin + weil-zin Ich arbeite zu Hause, weil das Büro laut ist.
Weil-zin + hoofdzin Weil das Büro laut ist, arbeite ich zu Hause.

Zelfcheck: weil

  • Heb ik een reden? Ja ⇒ weil.
  • Staat het Duitse werkwoord echt helemaal achteraan in de weil-zin?
  • Begin ik de volgende zin, na een weil-zin vooraan, met het werkwoord?

3. dann = volgende stap / daarna

Betekenis

  • dann betekent in deze context: dan, daarna.
  • Je vertelt de volgende actie of een logische stap.

Belangrijke regel: dann is geen voegwoord maar een bijwoord

  • dann telt mee als plaats 1 in de zin.
  • Het persoonsvorm-werkwoord komt dus direct na dann.
Structuur Voorbeeld
Hoofdzin, dann + hoofdzin Wir besichtigen die Wohnung, dann gehen wir ins Café.
Alleen zin met dann Zuerst sprechen wir mit dem Vermieter, dann unterschreiben wir den Vertrag.

Veelgemaakte fout

  • dann wir unterschreiben den Vertrag
  • dann unterschreiben wir den Vertrag ✔ (werkwoord op plaats 2)

Zelfcheck: dann

  • Beschrijf ik een volgende stap? ⇒ dann.
  • Staat dann vooraan en komt daarna direct het werkwoord?

4. auch = iets positiefs toevoegen (ook)

Betekenis

  • auch gebruik je als je nog iets extra’s noemt.
  • In het Nederlands: ook in een positieve zin.

Waar zet je ‘auch’ in de zin?

  • Meestal voor het woord dat je wilt benadrukken.
  • In eenvoudige A1-zinnen vaak midden in de zin.
Nederlands Duits Wat is extra?
Ik heb een balkon. Ik heb ook een tuin. Ich habe einen Balkon. Ich habe auch einen Garten. “tuin” is extra
Ik wil een appartement. Ik wil ook een garage. Ich möchte eine Wohnung. Ich möchte auch eine Garage. “garage” is extra

Let op

  • Gebruik nicht niet samen met auch als je negatief wilt zijn. Dan heb je auch nicht nodig (zie volgende hoofdstuk).

Zelfcheck: auch

  • Noem ik iets extra’s, positief? ⇒ auch.
  • Staat auch vlak bij het woord dat extra is?

5. auch nicht = negatieve aansluiting (ook niet)

Betekenis

  • auch nicht betekent: ook niet / evenmin.
  • Je sluit aan bij een negatieve uitspraak (met “nicht” of “kein”).

Structuur

  • nicht blijft apart!
  • Je schrijft auch nicht als twee woorden.
Nederlands Duits goed Typische fout
Ik neem het appartement niet. Het huis neem ik ook niet. Ich nehme die Wohnung nicht. Das Haus nehme ich auch nicht. Das Haus nehme ich auch. (dit is positief!)
We reserveren het hotel niet. De pension reserveren we ook niet. Wir reservieren das Hotel nicht. Die Pension reservieren wir auch nicht. Die Pension reservieren wir auch.

Waar staat ‘auch nicht’?

  • In simpele zinnen vaak na het werkwoord en voor het deel dat je ontkent.
  • Op A1 mag je je oriënteren op dit veilige patroon:
    • Onderwerp + werkwoord + auch nicht + rest

Zelfcheck: auch nicht

  • Staat er al ergens niet / kein in de eerste zin?
  • Zeg ik dat iets ook negatief is? ⇒ auch nicht.
  • Heb ik niet alleen “auch” geschreven, maar echt auch nicht?

6. Konnektor kiezen: reden, stap, positief, negatief

Gebruik dit kleine beslisschema als geheugensteun.

Situatie Vraag aan jezelf Duits woord Voorbeeld
Je legt een reden uit Waarom? weil Ich miete das Haus, weil es ruhig ist.
Je zegt wat daarna gebeurt Wat is de volgende stap? dann Wir besichtigen die Wohnung, dann unterschreiben wir.
Je voegt positief iets toe Wat nog meer, ook? auch Ich brauche ein Arbeitszimmer. Ich brauche auch einen Balkon.
Je sluit aan bij een ontkenning Ook niet? auch nicht Ich will das Hotel nicht. Die Pension will ich auch nicht.

7. Korte woordvolgorde-samenvatting

  • weil ⇒ persoonsvorm achteraan in de bijzin.
    • …, weil es ruhig ist.
  • dannplaats 1, persoonsvorm op plaats 2.
    • Dann bekommen Sie den Schlüssel.
  • auch / auch nicht ⇒ staan in de hoofdzin, geen aparte woordvolgorderegel.
    • Ich möchte auch ein Zimmer.
    • Ich möchte das Zimmer auch nicht.

8. Zelftest: begrijp ik het al?

  1. Kun je bij deze zinnen het juiste woord kiezen (in gedachten of hardop)?

    • Ich nehme die Wohnung nicht, das Haus möchte ich … mieten.
      ⇒ reden, stap, positief, negatief? ⇒ auch nicht
    • Wir besichtigen morgen das Haus, … fahren wir nach Hause.
      ⇒ volgende stap ⇒ dann
    • Ich will ein Zimmer mit Balkon, … es sonnig ist.
      ⇒ reden ⇒ weil
    • Ich brauche eine Küche. Ich brauche … ein Arbeitszimmer.
      ⇒ extra, positief ⇒ auch
  2. Kun je bij weil-zinnen controleren:

    • Staat het werkwoord echt achteraan?
    • Na een weil-zin vooraan: begint de volgende zin met het werkwoord?
  3. Kun je bij zinnen met dann controleren:

    • Staat dann op plaats 1 en de persoonsvorm direct erna?
  4. Kun je bij auch en auch nicht zeggen:

    • Wat is de eerste zin?
    • Sluit de tweede zin daar logisch positief (auch) of negatief (auch nicht) bij aan?

Als je deze vragen kunt beantwoorden, kun je weil, dann, auch en auch nicht nu zelfstandig in gespreksoefeningen gebruiken.

Konnektor (Connector)Funktion (Functie)Beispiel (Voorbeeld)
weil (omdat)Drückt einen Grund aus (Drukt een reden uit)Wir möchten das Haus mieten, weil es auf dem Land liegt. (We willen het huis huren, omdat het op het platteland ligt.)
dann (dan / daarna)Beschreibt eine Folge oder einen nächsten Schritt (Beschrijft een gevolg of een volgende stap)Wir schauen uns das WG-Zimmer an, dann unterschreiben wir den Mietvertrag. (We bekijken de kamer in de gedeelde woning, daarna ondertekenen we het huurcontract.)
auch (ook)Signalisiert Gleichheit oder Ähnlichkeit (Geeft gelijkheid of gelijkenis aan)Ich will ein Einzelzimmer. Ich will auch ein Zimmer mit Balkon. (Ik wil een eenpersoonskamer. Ik wil ook een kamer met balkon.)
auch nicht (ook niet)Verstärkt eine vorherige Verneinung (Versterkt een eerdere ontkenning)Ich möchte das Hotel nicht reservieren. Die Villa möchte ich auch nicht. (Ik wil het hotel niet reserveren. De villa wil ik ook niet.)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Suchen Sie ein Zimmer? Ich habe ein WG‑Zimmer, und ich habe ___ ein kleines Einzelzimmer.

Zoekt u een kamer? Ik heb een kamer in een gedeelde flat en ik heb ___ een klein eenpersoonskamertje.)

2. Ich nehme die Wohnung nicht, und das Haus möchte ich ___ mieten.

Ik neem het appartement niet, en het huis wil ik ___ huren.)

3. Wir unterschreiben heute den Mietvertrag, ___ bekommen Sie sofort den Schlüssel.

We ondertekenen vandaag het huurcontract, ___ krijgt u meteen de sleutel.)

4. Ich möchte das Haus auf dem Land mieten, ___ es sehr ruhig ist.

Ik wil het huis op het platteland huren ___ het daar erg rustig is.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Verbind de zinnen tot één of twee zinnen en gebruik de verbindingswoorden „omdat“, „dan“, „ook“ of „ook niet“.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (weil) Ich arbeite heute im Homeoffice. Es ist sehr laut im Büro.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ich arbeite heute im Homeoffice, weil es im Büro sehr laut ist.
    (Ich arbeite heute im Homeoffice, weil es im Büro sehr laut ist.)
  2. Hint Hint (dann) Wir besichtigen am Samstag die Wohnung. Wir gehen ins Café.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wir besichtigen am Samstag die Wohnung, dann gehen wir ins Café.
    (Wir besichtigen am Samstag die Wohnung, dann gehen wir ins Café.)
  3. Hint Hint (auch) Ich brauche ein Arbeitszimmer. Ich brauche einen Balkon.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ich brauche ein Arbeitszimmer. Ich brauche auch einen Balkon.
    (Ich brauche ein Arbeitszimmer. Ich brauche auch einen Balkon.)
  4. Hint Hint (auch nicht) Ich möchte diese Wohnung nicht mieten. Ich möchte das Zimmer im Studentenwohnheim nicht mieten.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ich möchte diese Wohnung nicht mieten. Das Zimmer im Studentenwohnheim möchte ich auch nicht mieten.
    (Ich möchte diese Wohnung nicht mieten. Das Zimmer im Studentenwohnheim möchte ich auch nicht mieten.)
  5. Die Wohnung ist klein. Die Wohnung ist teuer.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Die Wohnung ist klein und auch teuer.
    (Die Wohnung ist klein und auch teuer.)
  6. Hint Hint (auch nicht) Wir reservieren das Hotel nicht. Wir reservieren die Pension nicht.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wir reservieren das Hotel nicht. Die Pension reservieren wir auch nicht.
    (Wir reservieren das Hotel nicht. Die Pension reservieren wir auch nicht.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Bespreek het samen: kies een woning en geef een onderbouwing van jullie keuze.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Sie suchen mit einem Kollegen eine Wohnung in Deutschland und vergleichen Angebote.
(U zoekt samen met een collega een appartement in Duitsland en vergelijkt aanbiedingen.)

Bespreek
  • Welche Wohnung möchten Sie mieten und warum? (Welk appartement wilt u huren en waarom?)
  • Was ist Ihnen wichtig: WG‑Zimmer, Einzelzimmer, Haus oder Villa? Warum?","Welche Option mögen Sie nicht und warum? Welche Alternative suchen Sie dann?","Welche Schritte machen Sie dann: Wohnung anschauen, mit dem Vermieter sprechen, Vertrag unterschreiben?" (Wat is voor u belangrijk: een kamer in een gedeelde flat, een eenpersoonskamer, een huis of een villa? Waarom?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Ich möchte die Wohnung mieten, weil sie neu ist. (Ik wil het appartement huren omdat het nieuw is.)
  • Ich will das WG‑Zimmer nicht; die Villa möchte ich auch nicht. (Ik wil de kamer in de gedeelde flat niet; de villa wil ik ook niet.)
  • Wir schauen die Wohnung an, dann sprechen wir mit dem Vermieter und unterschreiben den Vertrag. (We bekijken het appartement, daarna spreken we met de verhuurder en ondertekenen we het contract.)

Gebruik in gesprek
  • weil (Gründe) (omdat (redenen))
  • dann (nächste Schritte) (daarna (volgende stappen))
  • auch / auch nicht (Zustimmung/Ablehnung) (ook / ook niet (instemming/afwijzing))

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 18/02/2026 18:41