A1.31 - Ons huis
Unser Haus
1. Taalonderdompeling
A1.31.1 Activiteit
Het tinyhouse
3. Grammatica
A1.31.2 Grammatica
"Es gibt" met accusatief
Belangrijk werkwoord
Umziehen (verhuizen)
Belangrijk werkwoord
Putzen (poetsen)
4. Oefeningen
Oefening 1: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Wohnungsanzeige: Kleine Stadtwohnung mit Balkon
Woorden om te gebruiken: Garten, Balkon, Aufzug, Küche, Wohnzimmer, Flur, Miete, Zimmer, Bad, Etage
(Woningadvertentie: klein stadsappartement met balkon)
Moderne 2- -Wohnung im Zentrum. Die Wohnung liegt in der dritten ; ein ist vorhanden. Es gibt ein helles mit Sofa und Tisch sowie ein Schlafzimmer mit großem Bett und Schrank. Die ist klein, aber modern. Das hat eine Dusche und eine Waschmaschine.
Zur Wohnung gehört ein kleiner mit Blick auf einen ruhigen . Im gibt es Platz für Schuhe und Jacken. Im Keller ist ein Fahrradraum. Die beträgt 850 Euro im Monat plus 150 Euro für Heizung und Wasser. Die Wohnung ist frei ab dem 1. Juni. Haustiere sind nicht erlaubt.Modern tweekamerappartement in het centrum. Het appartement ligt op de derde verdieping; er is een lift. Er is een lichte woonkamer met een bank en een tafel en een slaapkamer met een groot bed en een kledingkast. De keuken is klein maar modern. De badkamer heeft een douche en een wasmachine.
Bij het appartement hoort een klein balkon met uitzicht op een rustige tuin. In de hal is er plaats voor schoenen en jassen. In de kelder is een fietsenberging. De huur bedraagt €850 per maand plus €150 voor verwarming en water. Het appartement is beschikbaar vanaf 1 juni. Huisdieren zijn niet toegestaan.
-
Wie viele Zimmer hat die Wohnung und in welcher Etage liegt sie?
(Hoeveel kamers heeft het appartement en op welke verdieping ligt het?)
-
Welche Räume oder Bereiche gehören zur Wohnung außer Wohnzimmer und Schlafzimmer?
(Welke kamers of ruimtes horen bij het appartement behalve de woonkamer en de slaapkamer?)
-
Würdest du in dieser Wohnung wohnen? Begründe deine Antwort.
(Zou je in dit appartement willen wonen? Licht je antwoord toe.)
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ich ___ nächsten Monat in ein Haus mit großem Garten ___.
(Ik ___ volgende maand naar een huis met een grote tuin ___.)2. Wir ___ aus der kleinen Wohnung aus und ___ in ein Haus mit Balkon ein.
(Wij ___ uit het kleine appartement en ___ in een huis met balkon.)3. Am Samstag ___ ich das Bad und die Küche in unserer neuen Wohnung.
(Op zaterdag ___ ik de badkamer en de keuken schoon in ons nieuwe appartement.)4. In der Anzeige steht: Die Mieter ___ jeden Freitag das Treppenhaus.
(In de advertentie staat: De huurders ___ elke vrijdag het trappenhuis schoon.)Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Wohnungsbesichtigung mit Maklerin
Maklerin: Show Hier ist das Wohnzimmer, es ist groß und hell.
(Hier is de woonkamer, hij is groot en licht.)
Besucher: Show Schön. Und wo ist die Küche?
(Mooi. En waar is de keuken?)
Maklerin: Show Die Küche ist hier links, und rechts neben dem Flur ist das Bad.
(De keuken is hier links, en rechts van de hal is de badkamer.)
Besucher: Show Das Schlafzimmer ist also oben, richtig?
(De slaapkamer is dus boven, toch?)
Open vragen:
1. In welchem Zimmer schlafen Sie gern? Beschreiben Sie es kurz.
In welke kamer slaapt u graag? Beschrijf deze kort.
2. Wie ist Ihre Wohnung? Wie viele Zimmer hat sie?
Hoe is uw appartement? Hoeveel kamers heeft het?
Mitbewohner planen den Hausputz
Lena (Mitbewohnerin): Show Thomas, ich putze heute das Bad und die Küche.
(Thomas, ik maak vandaag de badkamer en de keuken schoon.)
Thomas (Mitbewohner): Show Okay, dann mache ich das Wohnzimmer und den Flur sauber.
(Oké, dan maak ik de woonkamer en de hal schoon.)
Lena (Mitbewohnerin): Show Super. Das Schlafzimmer können wir morgen zusammen putzen.
(Top. De slaapkamer kunnen we morgen samen schoonmaken.)
Thomas (Mitbewohner): Show Ja, und am Samstag räumen wir den Balkon und den Garten auf.
(Ja, en op zaterdag ruimen we het balkon en de tuin op.)
Open vragen:
1. Welche Zimmer putzen Sie zu Hause? Nennen Sie zwei.
Welke kamers maakt u thuis schoon? Noem er twee.
2. Haben Sie ein Wohnzimmer oder ein Esszimmer? Was machen Sie dort?
Heeft u een woonkamer of een eetkamer? Wat doet u daar?
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Du rufst wegen einer Wohnungsanzeige an. Der Makler fragt: „Was ist für Sie wichtig in der Wohnung?“ Antworte und sage, welche Zimmer du brauchst. (Verwende: Die Küche, Das Schlafzimmer, Das Wohnzimmer)
(Je belt naar aanleiding van een woningadvertentie. De makelaar vraagt: "Wat is voor u belangrijk in het appartement?" Antwoord en zeg welke kamers je nodig hebt. (Gebruik: de keuken, de slaapkamer, de woonkamer))Für mich ist
(Voor mij is ...)Voorbeeld:
Für mich ist die Küche wichtig. Ich koche gern und esse oft in der Küche.
(Voor mij is de keuken belangrijk. Ik kook graag en eet vaak in de keuken.)2. Eine Kollegin kommt zum ersten Mal zu dir nach Hause. Sie steht im Flur und fragt: „Wo ist das Bad?“ Zeige den Weg und nenne ein anderes Zimmer in der Nähe. (Verwende: Das Bad, Der Flur, Das Wohnzimmer)
(Een collega komt voor het eerst bij je thuis. Ze staat in de gang en vraagt: "Waar is de badkamer?" Wijs de weg en noem een andere kamer in de buurt. (Gebruik: de badkamer, de gang, de woonkamer))Das Bad ist
(De badkamer is ...)Voorbeeld:
Das Bad ist hier links im Flur. Rechts ist das Wohnzimmer.
(De badkamer is hier links in de gang. Rechts is de woonkamer.)3. Du bist bei einer Wohnungsbesichtigung. Der Vermieter zeigt das Wohnzimmer und fragt: „Wie finden Sie den Raum?“ Antworte und sage auch, was du im Wohnzimmer machst. (Verwende: Das Wohnzimmer, groß, fernsehen)
(Je bent bij een woningbezichtiging. De verhuurder laat de woonkamer zien en vraagt: "Wat vindt u van de ruimte?" Antwoord en zeg ook wat je in de woonkamer doet. (Gebruik: de woonkamer, groot, televisie kijken))Ich finde
(Ik vind ...)Voorbeeld:
Ich finde das Wohnzimmer schön und groß. Ich sitze gern hier und sehe fern.
(Ik vind de woonkamer mooi en groot. Ik zit hier graag en kijk televisie.)4. Du planst mit einer Mitbewohnerin den Umzug in die neue Wohnung. Ihr sprecht über die Hausarbeit. Sage, was du im Haushalt übernehmen kannst. (Verwende: putzen, Das Bad, Die Küche)
(Je plant met een huisgenote de verhuizing naar het nieuwe appartement. Jullie praten over het huishouden. Zeg wat je in het huishouden kunt overnemen. (Gebruik: schoonmaken, de badkamer, de keuken))Ich kann
(Ik kan ...)Voorbeeld:
Ich kann die Küche und das Bad putzen. Das ist kein Problem für mich.
(Ik kan de keuken en de badkamer schoonmaken. Dat is geen probleem voor mij.)Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over je appartement of je huis: welke kamers zijn er en wat vind je van je woning?
Nuttige uitdrukkingen:
In meiner Wohnung gibt es … / Mein Lieblingszimmer ist …, weil … / Die Wohnung ist klein/groß, aber … / Ich wohne im ersten/zweiten/dritten Stock.
Übung 7: Gespreksoefening
Anleitung:
- Nennen Sie die Räume des Hauses. (Noem de kamers van het huis.)
- Wie viele Zimmer gibt es in deinem Haus oder deiner Wohnung? Beschreibe sie. (Hoeveel kamers zijn er in jouw huis of appartement? Beschrijf ze.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
Dieses Haus hat sechs Zimmer. Dit huis heeft zes kamers. |
|
Das Wohnzimmer befindet sich im Erdgeschoss, neben dem Eingangsbereich. De woonkamer bevindt zich op de begane grond, naast de hal. |
|
Es gibt einen Balkon im ersten Stock. Er is een balkon op de eerste verdieping. |
|
Meine Wohnung hat eine Küche, ein Schlafzimmer und ein Badezimmer. Mijn appartement heeft een keuken, een slaapkamer en een badkamer. |
|
Das Schlafzimmer hat einen Balkon. De slaapkamer heeft een balkon. |
|
Ich suche eine Einzimmerwohnung. Ik ben op zoek naar een eenkamerappartement. |
|
Die Miete für das Studio umfasst alle monatlichen Kosten. De huur voor de studio omvat alle maandelijkse kosten. |
| ... |