Trennbare Verben sind zum Beispiel aufstehen, abholen, anrufen etc.

(Scheibbare werkwoorden zijn bijvoorbeeld aufstehen, abholen, anrufen enz.)

Wat zijn trennbare (scheidbare) werkwoorden?

In het Duits heb je veel werkwoorden met een vast voorzetsel of bijwoord ervoor, bijvoorbeeld aufstehen, anrufen, einladen.

In het woordenboek zie je deze als één woord. In een gewone tegenwoordige-tijd-zin (Präsens) vallen ze uit elkaar.

  • Het werkwoord (stehe, ruft, laden, …) staat op plaats 2.
  • De voorzetsel-deel (auf, an, ein, …) gaat helemaal naar het einde van de zin.

Dat lijkt voor een Nederlander op: “opstaan” → “ik sta vroeg op”.

Hoe herken je een trennbares Verb?

  • In het woordenboek: vaak een combinatie van een kort woord + werkwoord, bijv. aufstehen, abholen, zuhören.
  • Het korte woord is vaak ook een voorzetsel of bijwoord:
    auf, ab, an, aus, ein, zu, mit, vor, dazu
  • Betekenis verandert vaak door het voorstuk:
    • stehen = staan
    • aufstehen = opstaan

Goed om te weten: veel Duitse scheidbare werkwoorden hebben een bijna één-op-één equivalent in het Nederlands:

Duits (infinitief) Nederlands
aufstehen opstaan
abholen ophalen
anrufen opbellen / bellen
einladen uitnodigen
ausgehen uitgaan
zuhören luisteren (naar)

Basisregel in hoofdzinnen (Präsens)

In een gewone mededelende zin (hoofdzin, tegenwoordige tijd):

  1. Conjugeer het werkwoord (persoon + meervoud/enk.)
  2. Zet deze vorm op plaats 2 in de zin.
  3. Zet het scheidbare deel (Partikel) helemaal achteraan.
Infinitief Goed Fout
aufstehen Ich stehe um 7 Uhr auf. Ich aufstehe um 7 Uhr.
anrufen Wir rufen unsere Kollegin um 15 Uhr an. Wir anrufen unsere Kollegin …
abholen Er holt die Kinder von der Schule ab. Er abholt die Kinder …

Stap-voor-stap: zo bouw je de zin

Gebruik deze korte routine wanneer je een zin met een scheidbaar werkwoord maakt.

  1. Zoek het infinitief in je hoofd of in het woordenboek.
    • Voorbeeld: einladen
  2. Splits het werkwoord:
    • stam: laden
    • partikel: ein
  3. Conjugeer de stam:
    • ich lade
    • du lädst
    • er/sie/es lädt
    • wir laden
    • ihr ladet
    • sie/Sie laden
  4. Zet de persoonsvorm op plaats 2 en de rest van de zin eromheen.
  5. Zet het partikel op het einde.
    • Ich lade meinen Chef zum Mittagessen ein.

Let op de vaste plaats van het partikel

In hoofdzinnen staat het partikel écht helemaal achteraan.

  • Ook een lijdend voorwerp:
    • Ich hole die Eier ab.
  • Ook een tijdsbepaling of plaatsbepaling:
    • Wir stehen am Samstag früh auf.
    • Sie geht heute Abend mit Freunden aus.

Zelfcontrole: Staat er nog een woord het partikel? Dan klopt de volgorde meestal niet.

Hoofdzin met ander woord vooraan

Ook als de zin niet met het onderwerp begint, blijft de regel hetzelfde:

  • De geconjugeerde vorm is nog steeds op plaats 2.
  • Het partikel staat helemaal achteraan.
Start van de zin Voorbeeld
Tijd Am Samstag stehe ich früh auf.
Object Die Kollegen laden wir zum Abendessen ein.

Vergelijking met het Nederlands

Je kunt Duitse zinnen vaak controleren via een snelle Nederlandse vertaling.

Duits Nederlands Opmerking
Ich stehe um 8 Uhr auf. Ik sta om 8 uur op. structuur bijna identiek
Wir bereiten das Essen vor. Wij bereiden het eten voor. ook vergelijkbaar
Sie hört dem Chef gut zu. Ze luistert goed naar de chef. betekenis gelijk, Nederlandse vorm iets anders

Typische fouten van Nederlandstaligen

  • Hele werkwoord op plaats 2 zetten:
    • Ich aufstehen um 7 Uhr.
    • → Ich stehe um 7 Uhr auf.
  • Partikel te vroeg zetten in de zin:
    • Ich stehe auf um 7 Uhr. (klinkt sterk Nederlands)
    • → Ich stehe um 7 Uhr auf.
  • Verkeerde vorm van het werkwoord kiezen:
    • Wir ruft die Kollegin um 15 Uhr an.
    • → Wir rufen die Kollegin um 15 Uhr an.

Zelfcheck: begrijp ik het?

  • Kan ik zeggen welk deel het werkwoord is en welk deel de partikel is in: aufstehen, abholen, einladen, zuhören?
  • Kan ik van de infinitief aufstehen deze zinnen maken?
    • Ich stehe um 6 Uhr auf.
    • Am Sonntag stehen wir spät auf.
  • Kan ik het partikel altijd achteraan zetten, ongeacht wat er in het midden komt?

Als je deze vragen met “ja” kunt beantwoorden, heb je de basis van de trennbaren Verben in het Präsens onder controle.

Waar moet je speciaal op letten?

  • Leer nieuwe werkwoorden altijd meteen als combinatie:
    • nicht nur: laden, maar: einladen
  • Oefen hardop het splitsen + vervoegen:
    • einladen → ich lade … ein, wir laden … ein
  • Controleer jezelf met de Nederlandse zin als hulpmiddel.
  • Let extra op bij werkwoorden met klinkerwisseling (du/er/sie):
    • einladen → du lädst … ein, er lädt … ein

Met deze stappen kun je trennbare Verben in het Duits op A1-niveau veilig gebruiken in dagelijkse gesprekken.

  1. Bij scheibbare werkwoorden staat het voorzetsel meestal aan het einde van de zin.
Trennbares Verb (Scheibbaar werkwoord)Trennbare Präposition (Scheibbaar voorzetsel)Beispiel im Präsens (Voorbeeld in de tegenwoordige tijd)
aufstehenaufIch stehe um 8 Uhr auf.
abholenabEr holt die Briefe vom Postamt ab.
anrufenanWir rufen um 10 Uhr an.
einladeneinSie laden ihre Freunde zum Abendessen ein.
ausgehenausIch gehe mit meinen Freunden aus.
zuhörenzuWir hören der Musik zu.
mitkommenmitSie kommt mit ins Kino.
vorbereitenvorIch bereite das Mittagsessen vor.
dazugebendazuSie gibt noch ein bisschen Öl dazu.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Ich ______ am Samstag früh auf und koche Kartoffeln für das Team-Mittagessen.

Ik ______ zaterdagochtend vroeg op en kook aardappels voor de teamlunch.)

2. Kannst du bitte die Eier im Supermarkt ______?

Kun je alsjeblieft de eieren bij de supermarkt ______?)

3. Wir ______ das Essen vor und geben dann Öl und Salz dazu.

We ______ het eten voor en voegen dan olie en zout toe.)

4. Ich lade meine Kollegen zum hausgemachten Abendessen ______ und sie hören mir beim Rezept gut zu.

Ik nodig mijn collega’s uit voor het zelfgemaakte avondeten ______ en ze luisteren goed naar me bij het recept.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen zodat het scheidbare werkwoord in de tegenwoordige tijd staat. Zet het voorzetsel aan het einde van de zin, zoals in het voorbeeld: Ik sta om 7 uur op.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (aufstehen) Ich stehe um 6 Uhr.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ich stehe um 6 Uhr auf.
    (Ich stehe um 6 Uhr auf.)
  2. Hint Hint (abholen) Er holt die Kinder von der Schule.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Er holt die Kinder von der Schule ab.
    (Er holt die Kinder von der Schule ab.)
  3. Hint Hint (anrufen) Wir rufen unsere Kollegin um 15 Uhr.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wir rufen unsere Kollegin um 15 Uhr an.
    (Wir rufen unsere Kollegin um 15 Uhr an.)
  4. Hint Hint (einladen) Ich lade meinen Chef zum Mittagessen.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ich lade meinen Chef zum Mittagessen ein.
    (Ich lade meinen Chef zum Mittagessen ein.)
  5. Hint Hint (ausgehen) Sie geht heute Abend mit ihren Freunden.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Sie geht heute Abend mit ihren Freunden aus.
    (Sie geht heute Abend mit ihren Freunden aus.)
  6. Hint Hint (zuhören) Wir hören dem Lehrer im Deutschkurs.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wir hören dem Lehrer im Deutschkurs zu.
    (Wir hören dem Lehrer im Deutschkurs zu.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Bespreek samen het recept en vertel de stappen mondeling.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Sie planen mit einem Kollegen ein einfaches hausgemachtes Mittagessen im Büro.
(U bespreekt met een collega een eenvoudige zelfgemaakte lunch op kantoor.)

Bespreek
  • Was kochen Sie und welche Zutaten brauchen Sie? (Wat koken jullie en welke ingrediënten hebben jullie nodig?)
  • Wie bereiten Sie das Gericht vor? Beschreiben Sie die Schritte nacheinander. (Hoe bereiden jullie het gerecht voor? Beschrijf de stappen achtereenvolgens.)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Ich bereite das Mittagessen vor. (Ik bereid de lunch voor.)
  • Ich hole Mehl und Eier ab. (Ik haal meel en eieren.)
  • Gib Öl und Salz dazu. (Voeg olie en zout toe.)

Gebruik in gesprek
  • Präsens-Sätze mit trennbaren Verben (Zinnen in de tegenwoordige tijd met scheidbare werkwoorden)
  • Ablauf eines Rezepts mit Zeitwörtern: zuerst, dann, zuletzt (Stappen van een recept met tijdswoorden: eerst, dan, tenslotte)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 18/02/2026 17:08