Verneinung mit „kein“ und „nicht“ richtig anwenden

(Ontkenning met „geen“ en „niet“ correct gebruiken)

Kein of nicht? Het belangrijkste verschil in één oogopslag

  • kein = ontkenning van een zelfstandig naamwoord (met een onbepaald gevoel: “(g)een …”).
    Je zegt: er is geen ding / geen persoon / geen hoeveelheid.
  • nicht = ontkenning van werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, hele zin of tijd / plaats.
    Je zegt: de actie gebeurt niet, de eigenschap klopt niet, of het tijdstip is niet juist.

Snelle check: Staat er een zelfstandig naamwoord achter? → vaak kein. Geen zelfstandig naamwoord erachter? → meestal nicht.

Wanneer gebruik je genau: kein?

  • Bij telbare en ontelbare zelfstandige naamwoorden zonder lidwoord of met ein.

Voorbeelden:

  • Ich habe Geld.Ich habe kein Geld.
  • Das ist ein Problem.Das ist kein Problem.
  • Wir haben Brot.Wir haben kein Brot.

Je vervangt in je hoofd:

  • einkein
  • einekeine

en je buigt kein verder zoals in de tabel in je boek.

De vormen van kein die je echt nodig hebt (Nominativ / Akkusativ)

Nominativ Akkusativ
Maskulin kein Mann keinen Mann
Feminin keine Frau keine Frau
Neutrum kein Kind kein Kind
Plural keine Kinder keine Kinder

Let op: alleen bij mannelijk in de 4e naamval (Akkusativ) verandert er echt iets: kein → keinen.

Mini-test (in gedachten invullen):

  • Ich habe … Laptop. (Akkusativ, m.) → keinen Laptop.
  • Das ist … gute Idee. (Nominativ, f.) → keine gute Idee.
  • Wir haben … Auto. (Akkusativ, n.) → kein Auto.
  • Sie hat … Freunde in Berlin. (Plural) → keine Freunde.

Wanneer gebruik je genau: nicht?

  • niet + werkwoord (de activiteit gebeurt niet)
  • Heute schneit es nicht. – Het sneeuwt vandaag niet.
  • Wir kommen nicht. – We komen niet.
  • niet + bijvoeglijk naamwoord (de eigenschap klopt niet)
  • Das Wetter ist nicht gut. – Het weer is niet goed.
  • Der Kaffee ist nicht warm. – De koffie is niet warm.
  • niet + hele zin / element in de zin
  • Das ist nicht die Antwort. – Dat is niet het antwoord.
  • Ich arbeite heute nicht im Büro. – Ik werk vandaag niet op kantoor.

Speciaal geval: tijd, dag, plaats → meestal nicht

  • Je ontkent wanneer of waar iets gebeurt.

Voorbeelden:

  • Wir treffen uns nicht am Montag. – We spreken niet op maandag af.
  • Er fährt heute nicht nach Berlin. – Hij rijdt vandaag niet naar Berlijn.
  • Ich arbeite morgen nicht. – Ik werk morgen niet.

Hier gaat het niet om “geen maandag” of “geen Berlijn”, maar om de actie (afspreken, rijden, werken) die niet op dat tijdstip / op die plaats gebeurt.

Kein of nicht? Een eenvoudige beslisboom

  1. Kijk naar het woord direct na de ontkenning.
  2. Is dat een zelfstandig naamwoord (eventueel met bijvoeglijk naamwoord)?
    Kein gebruiken.
    • kein Brot, kein Kaffee, keine Sonne, keinen Schnee
  3. Staat er geen zelfstandig naamwoord direct achter, maar een werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, tijd, plaats of ander zinsdeel?
    nicht gebruiken.
    • Es schneit nicht.
    • Das Wetter ist nicht gut.
    • Wir treffen uns nicht am Montag.

Let op: zie je in de Duitse zin al een bestemd lidwoord (der, die, das) of een persoonlijk voornaamwoord (ihn, sie, es)? Dan gebruik je meestal nicht, niet kein:

  • Ich kenne keinen Mann. (kan, maar betekent: ik ken geen enkele man.)
  • Ich kenne den Mann nicht. – Ik ken de man niet (die specifieke man).

Typische fouten van Nederlandstaligen (en hoe je ze vermijdt)

  • Fout door letterlijk uit het Nederlands te vertalen:
    Heute ist es kein warm.
    In het Nederlands: “geen warm weer”. In het Duits is warm een bijvoeglijk naamwoord → dus nicht:
    Heute ist es nicht warm.
  • Fout bij werkwoorden:
    Es schneit kein.
    schneit is een werkwoord → dus nicht:
    Es schneit nicht.
  • Fout bij dagen / tijd:
    Wir treffen uns kein Montag.
    Dag = tijdsaanduiding, geen “ding” → nicht:
    Wir treffen uns nicht am Montag.

Zelfcontrole in 3 stappen: heb ik kein of nicht nodig?

  1. Zoek de ontkenning in je Nederlandse zin.
    Staat er “geen” of “niet”?
  2. Bekijk het woord erna.
    • Na geen staat meestal een zelfstandig naamwoord → in het Duits vaak kein.
    • Na niet staat meestal een werkwoord, bijvoeglijk naamwoord of hele zin → in het Duits nicht.
  3. Pas aan naar correct Duits:
    • geen geld → kein Geld
    • geen probleem → kein Problem
    • niet warm → nicht warm
    • het sneeuwt niet → es schneit nicht
    • niet op maandag → nicht am Montag

Wat moet je nu echt kunnen na dit onderdeel?

  • Je kunt uitleggen wanneer je kein gebruikt en wanneer nicht.
  • Je kunt in eenvoudige zinnen over o.a. weer, tijd, afspraken, geld, probleem zelf kiezen tussen kein en nicht.
  • Je let bewust op het woord direct na de ontkenning.
  • Je herkent dat tijdsaanduidingen meestal met nicht ontkend worden.

Als dit lukt zonder te twijfelen, ben je klaar om het in gesprekken te gebruiken.

  1. „Kein“ wordt gebruikt bij de ontkenning van onbepaalde zelfstandige naamwoorden.
  2. „Nicht“ wordt gebruikt bij de ontkenning van werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden of bepaalde zelfstandige naamwoorden en om de hele zin te ontkennen.
Wort (woord)Beispiel und Deklination (voorbeeld en verbuiging)
Kein

Ich habe kein Geld. (Ik heb geen geld.)

Das ist kein Problem. (Dat is geen probleem.)

"Kein" im Nominativ und Akkusativ ("Kein" in de nominatief en accusatief)
 Nominativ (nominatief)Akkusativ (accusatief)
Maskulin (mannelijk)keinkeinen
Feminin (vrouwelijk)keinekeine
Neutral (onzijdig)keinkein
Plural (meervoud)keinekeine
Nicht

Es schneit heute nicht. (Het sneeuwt vandaag niet.)

Das Wetter war nicht gut. (Het weer was niet goed.)

Das ist nicht die Antwort.  (Dat is niet het antwoord.)

Uitzonderingen!

  1. „Nicht“ kan ook bij tijdsaanduidingen worden gebruikt, wanneer deze ontkend moeten worden. Voorbeeld: Wir treffen uns nicht am Montag.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Im Februar haben wir oft ____ Schnee in Berlin.

Im Februar haben wir oft ____ Schnee in Berlin.)

2. Heute ist es ____ warm, es ist kalt und windig.

Heute ist es ____ warm, es ist kalt und windig.)

3. In Hamburg haben wir heute ____ Regen, nur Sonne.

In Hamburg haben wir heute ____ Regen, nur Sonne.)

4. Morgen schneit es ____, es bleibt trocken.

Morgen schneit es ____, es bleibt trocken.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen en ontken ze correct met „kein” of „nicht” (laatste voor werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden of tijdsaanduidingen).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (kein) Ich habe Zeit.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ich habe keine Zeit.
    (Ich habe keine Zeit.)
  2. Hint Hint (kein) Das ist ein Problem.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Das ist kein Problem.
    (Das ist kein Problem.)
  3. Hint Hint (nicht) Es regnet heute.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Heute regnet es nicht.
    (Heute regnet es nicht.)
  4. Hint Hint (kein) Wir kaufen heute Brot.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wir kaufen heute kein Brot.
    (Wir kaufen heute kein Brot.)
  5. Hint Hint (nicht) Der Kaffee ist gut.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Der Kaffee ist nicht gut.
    (Der Kaffee ist nicht gut.)
  6. Hint Hint (nicht) Wir treffen uns am Montag.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wir treffen uns nicht am Montag.
    (Wir treffen uns nicht am Montag.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Voer een kort gesprek over het weer vandaag en momenteel in Duitsland.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Sie machen Smalltalk mit einer neuen Kollegin über das Wetter heute und zurzeit.
(U voert smalltalk met een nieuwe collega over het weer van vandaag en de huidige situatie.)

Bespreek
  • Wie ist das Wetter heute bei Ihnen? Was fehlt oder ist nicht gut? (Hoe is het weer vandaag bij u? Wat ontbreekt of is niet goed?)
  • Welche Jahreszeit mögen Sie nicht? Warum ist dort kein gutes Wetter? (Welk seizoen vindt u niet prettig? Waarom is het daar geen goed weer?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Heute ist es nicht warm, es ist eher kalt. (Vandaag is het niet warm, het is eerder koud.)
  • Es gibt heute keine Sonne, nur Wolken und Regen. (Vandaag is er geen zon, alleen wolken en regen.)
  • Zurzeit regnet es nicht, aber es ist windig. (Op dit moment regent het niet, maar het is winderig.)

Gebruik in gesprek
  • kein + Nomen (kein + Nomen)
  • nicht + Verb (nicht + Verb)
  • nicht + Adjektiv (nicht + Adjektiv)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 18/02/2026 16:30