Verneinung mit „kein“ und „nicht“ richtig anwenden

(Ontkenning met „kein“ en „nicht“ correct gebruiken)

Kein of nicht? Eerst de snelle keuze

  • Kein = ontkenning bij een zelfstandig naamwoord met een onbepaald idee (meestal: ein/eine of geen lidwoord).

    Ich habe kein Geld. (geen geld)

  • Nicht = ontkenning van werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, hele zin of een bepaald zelfstandig naamwoord (met der/die/das, naam, bezittelijk, enz.).

    Das Wetter ist nicht gut.

Denkstap: wat ontken je precies?

  1. Ontken je een ding/persoon (Nomen)? → kijk of het onbepaald is → meestal kein.

  2. Ontken je een actie (werkwoord) of een eigenschap (adjectief)? → nicht.

  3. Ontken je een specifiek ding/persoon (met der/die/das of een duidelijke referentie)? → nicht.

Kein = “geen / niet een” + hetzelfde patroon als ein

Handig ezelsbruggetje: kein- gedraagt zich als ein- (zelfde uitgangen).

Wat zie je in de zin? Maak er ontkenning van Voorbeeld
ein (m/n) kein

Ich habe ein Ticket. → Ich habe kein Ticket.

eine (v) keine

Sie hat eine Idee. → Sie hat keine Idee.

einen (m, Akk.) keinen

Wir brauchen einen Plan. → Wir brauchen keinen Plan.

meervoud zonder lidwoord keine

Ich habe Kollegen. → Ich habe keine Kollegen.

Niet = niet bij “de/het/die”, namen en iets specifieks

  • Bepaald Nomen (der/die/das):

    Das ist nicht die Antwort. (die antwoord, precies die)

  • Naam / persoon:

    Das ist nicht Anna.

  • Bezittelijk (mein/dein/sein…):

    Das ist nicht mein Problem.

Let op: In het Nederlands zeg je vaak “geen” in zulke zinnen, maar in het Duits is het bij iets specifieks meestal nicht.

Waar staat nicht meestal? (A1-praktisch)

  • Bij een adjectief: nicht staat er meestal voor.
    Das Wetter ist nicht gut.

  • Bij een tijdsaanduiding: nicht vaak ervoor.
    Wir treffen uns nicht am Montag.

  • Bij het werkwoord/zin (heel algemeen): vaak laat in de zin (maar niet helemaal achteraan als er nog iets belangrijks komt).
    Es regnet heute nicht.

Snelle zelfcheck (3 vragen)

  1. Staat er (of past er) ein/eine/einen? → dan is kein/keine/keinen meestal juist.

  2. Ontken je een eigenschap (goed, warm, duur…)? → nicht.

  3. Gaat het om die/der/das, een naam of “mijn/jouw…”? → nicht.

Veelgemaakte fouten (en de correcte versie)

  • Tijd ontkennen:

    Wir treffen uns kein am Montag.
    Wir treffen uns nicht am Montag.

  • Bepaald zelfstandig naamwoord ontkennen:

    Das ist keine Antwort. (klinkt alsof je bedoelt: “dat is geen antwoord (maar iets anders)”)
    Das ist nicht die Antwort. (niet het juiste/specifieke antwoord)

  • Onbepaald zelfstandig naamwoord ontkennen:

    Ich habe nicht Geld.
    Ich habe kein Geld.

  1. „Kein“ wordt gebruikt om onbepaalde zelfstandige naamwoorden te ontkennen.
  2. „Nicht“ wordt gebruikt om werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden of bepaalde zelfstandige naamwoorden te ontkennen, en om de hele zin te ontkennen.
Wort (Woord)Beispiel und Deklination (Voorbeeld en verbuiging)
Kein

Ich habe kein Geld. (Ik heb geen geld.)

Das ist kein Problem. (Dat is geen probleem.)

"Kein" im Nominativ und Akkusativ ("Kein" in de nominatief en accusatief)
 Nominativ (Nominatief)Akkusativ (Accusatief)
Maskulin (Mannelijk)keinkeinen
Feminin (Vrouwelijk)keinekeine
Neutral (Onzijdig)keinkein
Plural (Meervoud)keinekeine
Nicht

Es schneit heute nicht. (Het sneeuwt vandaag niet.)

Das Wetter war nicht gut. (Het weer was niet goed.)

Das ist nicht die Antwort.  (Dat is niet het antwoord. )

Uitzonderingen!

  1. „Nicht“ kan ook bij tijdsaanduidingen worden gebruikt als die ontkend moeten worden. Beispiel: Wir treffen uns nicht am Montag.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Heute ist es kalt, aber es regnet ____.

Vandaag is het koud, maar het regent ____.

2. Ich habe heute ____ Schirm dabei.

Ik heb vandaag ____ paraplu bij me.

3. Das ist ____ gutes Wetter für einen Spaziergang.

Dat is ____ goed weer voor een wandeling.

4. Wir treffen uns ____ am Montag, sondern am Dienstag.

We spreken ____ af op maandag, maar op dinsdag.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met de juiste ontkenning: Gebruik „geen“ bij onbepaalde zelfstandige naamwoorden (ein/eine/einen) en „niet“ bij werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, bepaalde zelfstandige naamwoorden of tijdsaanduidingen. Voorbeeld: „Ich habe ein Auto.“ → „Ich habe kein Auto.“

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (kein) Ich habe ein Ticket für den Zug.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ich habe kein Ticket für den Zug.
    (Ik heb geen ticket voor de trein.)
  2. Hint Hint (keinen) Wir haben einen Termin am Montag.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Wir haben keinen Termin am Montag.
    (We hebben geen afspraak op maandag.)
  3. Hint Hint (keine) Sie hat eine E-Mail von der Chefin.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Sie hat keine E-Mail von der Chefin.
    (Zij heeft geen e-mail van de chef.)
  4. Hint Hint (nicht) Das Wetter ist heute gut.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Das Wetter ist heute nicht gut.
    (Het weer is vandaag niet goed.)
  5. Hint Hint (nicht) Wir treffen uns am Montag.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Wir treffen uns nicht am Montag.
    (We spreken niet af op maandag.)
  6. Hint Hint (nicht) Das ist die richtige Antwort.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Das ist nicht die richtige Antwort.
    (Dat is niet het juiste antwoord.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Bespreek of de vergadering vandaag binnen of buiten moet plaatsvinden.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Im Büro besprichst du mit einer Kollegin das Wetter für ein Tagesmeeting.
(Op kantoor bespreek je met een collega het weer voor een dagmeeting.)

Bespreek
  • Wie ist das Wetter heute bei euch, und bleibt es so zurzeit? (Hoe is het weer vandaag bij jullie, en blijft het voorlopig zo?)
  • Gibt es Regen oder Schnee, oder gibt es keinen Niederschlag?
Warum?























 (Is er regen of sneeuw, of is er geen neerslag? Waarom? )

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Heute gibt es keinen Regen. (Vandaag is er geen regen.)
  • Zurzeit ist es nicht warm. (Voorlopig is het niet warm.)
  • Die Sonne scheint nicht. (De zon schijnt niet.)

Gebruik in gesprek
  • kein/keine/keinen + Nomen (geen + zelfstandig naamwoord)
  • nicht + Verb/Adjektiv (niet + werkwoord/bijvoeglijk naamwoord)
  • nicht + Zeitangabe (heute/zurzeit) (niet + tijdsaanduiding (vandaag/voorlopig))

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

vrijdag, 17/04/2026 14:04