A1.40 - Sport en beweging
Sport und Bewegung
1. Taalonderdompeling
A1.40.1 Activiteit
Een extra eenheid
3. Grammatica
A1.40.2 Grammatica
Bijwoorden van frequentie
Belangrijk werkwoord
Sein (zijn)
Belangrijk werkwoord
Spielen (spelen)
Belangrijk werkwoord
Schwimmen (zwemmen)
Belangrijk werkwoord
Mitkommen (meekomen)
Belangrijk werkwoord
Laufen (lopen)
4. Oefeningen
Oefening 1: Correspondentie schrijven
Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie
E-mail: Je krijgt een e-mail van een fitnessstudio over een nieuwe sportles na het werk en moet antwoorden of je mee wilt doen en hoe vaak je sport.
Betreff: Neuer Sportkurs nach der Arbeit
Guten Tag,
wir bieten ab nächster Woche einen neuen Kurs an: Fit mit Ball. Im Kurs machen wir leichten Sport mit Ballspielen, ein bisschen Joggen und Gymnastik.
Der Kurs ist jeden Dienstag und Donnerstag von 18:00 bis 19:00 Uhr.
Möchten Sie mitkommen? Schreiben Sie uns bitte, an welchen Tagen Sie Zeit haben und welchen Sport Sie jetzt schon machen.
Viele Grüße
Fitnessstudio Aktiv
Maria Schneider
Onderwerp: Nieuwe sportcursus na het werk
Goedendag,
we bieden vanaf volgende week een nieuwe cursus aan: Fit met bal. In de cursus doen we lichte sport met balspelletjes, wat joggen en gymnastiek.
De cursus is elke dinsdag en donderdag van 18:00 tot 19:00 uur.
Wilt u meedoen? Schrijf ons alstublieft op welke dagen u tijd heeft en welke sport u nu al doet.
Met vriendelijke groet
Sportschool Aktiv
Maria Schneider
Begrijp de tekst:
-
An welchen Tagen findet der Kurs „Fit mit Ball“ statt?
(Op welke dagen vindt de cursus „Fit met bal” plaats?)
-
Was soll die Person in der Antwort-E-Mail schreiben?
(Wat moet de persoon in de antwoord-e-mail schrijven?)
Nuttige zinnen:
-
ich möchte gern am … teilnehmen.
(Ik wil graag deelnemen op ...)
-
ich mache oft/manchmal/nie …
(Ik sport vaak/soms/nooit ...)
-
Dienstag/Donnerstag ist gut für mich, weil …
(Dinsdag/Donderdag is goed voor mij, omdat ...)
vielen Dank für Ihre E-Mail. Ich möchte gern am Kurs „Fit mit Ball“ teilnehmen.
Dienstag ist gut für mich. Donnerstag habe ich keine Zeit. Ich mache jetzt manchmal Sport. Ich gehe oft spazieren und ich fahre am Wochenende Fahrrad. Ich möchte fitter werden.
Viele Grüße
Alex Müller
Goedendag mevrouw Schneider,
hartelijk dank voor uw e-mail. Ik wil graag deelnemen aan de cursus „Fit met bal”.
Dinsdag is goed voor mij. Donderdag heb ik geen tijd. Ik sport nu soms. Ik ga vaak wandelen en ik fiets in het weekend. Ik wil graag fitter worden.
Met vriendelijke groet
Alex Müller
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Nach der Arbeit bin ich oft müde, aber gestern ___ ich trotzdem joggen gewesen.
(Na het werk ben ik vaak moe, maar gisteren ___ ik toch gaan joggen.)2. Am Wochenende ___ wir oft Fußball gespielt, aber letztes Jahr ___ wir fast nie Tennis gespielt.
(In het weekend ___ we vaak voetbal gespeeld, maar vorig jaar ___ we bijna nooit tennis gespeeld.)3. Ich ___ manchmal im Hallenbad, aber mein Kollege ___ nie.
(Ik ___ soms in het binnenzwembad, maar mijn collega ___ nooit.)4. Wir ___ morgens oft im Park und unsere Nachbarin ___ manchmal mit.
(We ___ ’s ochtends vaak in het park en onze buurvrouw ___ soms mee.)Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Nach der Arbeit ins Fitnessstudio
Kollegin Jana: Show Hey Thomas, ich gehe heute nach der Arbeit joggen, kommst du mit?
(Hé Thomas, ik ga vanavond na het werk hardlopen, ga je mee?)
Thomas: Show Hm, joggen ist nicht so mein Ding, aber ich will wieder fit sein.
(Hm, hardlopen is niet echt mijn ding, maar ik wil wel weer fit worden.)
Kollegin Jana: Show Dann komm doch mit ins Fitnessstudio, da mache ich Training mit Gewichten.
(Kom dan mee naar de sportschool, daar train ik met gewichten.)
Thomas: Show Gute Idee, ich komme mit und wir machen zusammen Sport.
(Goed idee, ik ga mee en we sporten samen.)
Open vragen:
1. Machst du nach der Arbeit Sport? Was machst du?
Sport je na het werk? Wat doe je dan?
2. Mit wem machst du gern Sport? Allein oder mit Freunden?
Met wie sport je het liefst? Alleen of met vrienden?
Schwimmkurs fürs Kind in der Schwimmhalle
Mutter Anna: Show Guten Tag, mein Sohn ist sieben Jahre alt, ich möchte ihn zum Schwimmen anmelden.
(Goedendag, mijn zoon is zeven jaar, ik wil hem graag voor zwemles inschrijven.)
Mitarbeiter im Sportzentrum: Show Gern, wir haben ein Schwimm-Training am Dienstag und am Donnerstag.
(Graag, we hebben zwemtrainingen op dinsdag en donderdag.)
Mutter Anna: Show Das ist gut, er macht noch keinen Sport und ich finde Schwimmen wichtig.
(Dat is goed, hij doet nog geen sport en ik vind zwemmen belangrijk.)
Mitarbeiter im Sportzentrum: Show Perfekt, dann ist er im Kurs, er lernt schwimmen und bleibt fit.
(Perfect, dan zit hij bij de cursus; hij leert zwemmen en blijft fit.)
Open vragen:
1. Kannst du schwimmen? Wo schwimmst du gern?
Kun je zwemmen? Waar zwem je graag?
2. Welche Sportarten machst du im Moment nicht, aber du möchtest sie machen?
Welke sporten doe je nu niet, maar zou je wel willen doen?
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Du bist in der Mittagspause mit Kolleginnen und Kollegen. Eine Kollegin fragt: „Machst du Sport?“ Antworte und erzähle kurz, welchen Sport du machst. (Verwende: der Sport, Sport machen, fit sein)
(Je bent in de lunchpauze met collega’s. Een collega vraagt: „Doe jij aan sport?” Antwoord en vertel kort welke sport je beoefent. (Gebruik: der Sport, Sport machen, fit sein))Ich mache
(Ik doe ...)Voorbeeld:
Ich mache gern Sport. Ich mache zweimal pro Woche Sport im Fitnessstudio und ich bin fit.
(Ik doe graag sport. Ik sport twee keer per week in de sportschool en ik ben fit.)2. Du bist im Fitnessstudio. Ein Trainer fragt dich: „Was trainierst du heute?“ Erkläre kurz, was du beim Training machst. (Verwende: das Training, laufen, das Gewicht)
(Je bent in de sportschool. Een trainer vraagt je: „Wat train je vandaag?” Leg kort uit wat je tijdens de training doet. (Gebruik: das Training, laufen, das Gewicht))Heute im Training
(Vandaag bij de training ...)Voorbeeld:
Heute im Training laufe ich zuerst zehn Minuten. Dann mache ich Übungen mit dem Gewicht.
(Vandaag tijdens de training loop ik eerst tien minuten. Daarna doe ik oefeningen met gewichten.)3. Du bist im Park mit einem Freund. Er fragt: „Hast du Lust, heute Abend Fußball zu spielen?“ Antworte und sage kurz, ob du mitkommst oder keine Zeit hast. (Verwende: der Fußball, mitkommen, keine Zeit)
(Je bent in het park met een vriend. Hij vraagt: „Heb je zin om vanavond voetbal te spelen?” Antwoord en zeg kort of je meegaat of geen tijd hebt. (Gebruik: der Fußball, mitkommen, keine Zeit))Zum Fußball heute
(Voor het voetbal vanavond ...)Voorbeeld:
Zum Fußball heute komme ich gern mit. Ich habe Zeit und ich spiele sehr gern Fußball.
(Voor het voetbal vanavond ga ik graag mee. Ik heb tijd en ik speel heel graag voetbal.)4. Du bist im Schwimmbad. Deine Freundin fragt: „Welchen Sport machst du noch?“ Antworte und erzähle kurz über Schwimmen und eine andere Sportart. (Verwende: schwimmen, joggen, fit sein)
(Je bent in het zwembad. Je vriendin vraagt: „Welke sport doe je nog meer?” Antwoord en vertel kort over zwemmen en een andere sport. (Gebruik: schwimmen, joggen, fit sein))Ich schwimme
(Ik zwem ...)Voorbeeld:
Ich schwimme einmal pro Woche im Schwimmbad. Am Wochenende jogge ich im Park und ich bin fit.
(Ik zwem één keer per week in het zwembad. In het weekend jog ik in het park en ik ben fit.)Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen en vertel op welke dagen je tijd hebt en welke sport je in een bedrijfssportgroep zou willen doen.
Nuttige uitdrukkingen:
Ich habe am ... Zeit. / Ich mache gern ... / Ich möchte an ... teilnehmen. / Ich finde ... gut für meine Gesundheit.
Übung 7: Gespreksoefening
Anleitung:
- Nennen Sie die Sportart und sagen Sie, ob Sie sie im Team (oder als Paar) oder alleine ausüben. (Noem de sport en zeg of je het in teamverband (of als duo) of alleen doet.)
- Machst du Sport? Wie oft? (Doe je aan sport? Hoe vaak?)
- Magst du Sport schauen? (Hou je van sport kijken?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
Fußball ist ein Teamsport. Voetbal is een teamsport. |
|
Schwimmen ist ein Einzelsport. Zwemmen is een individuele sport. |
|
Als Sport mache ich Boxen. Als sport doe ik aan boksen. |
|
Ich spiele gerne Tennis. Ich spiele jeden Mittwoch und Samstag Tennis. Ik speel graag tennis. Ik speel elke woensdag en zaterdag tennis. |
|
Ich schaue nicht gerne Sport. Ich werde müde. Ik kijk niet graag naar sport. Ik word er moe van. |
|
Ich schaue gerne Basketballspiele. Ik kijk graag naar basketbalwedstrijden. |
| ... |