Personalpronomen im Deutschen sind ich, du, er/sie/es, wir, ihr und sie
(Persoonlijke voornaamwoorden in het Duits zijn ich, du, er/sie/es, wir, ihr en sie.)
- De aanspreekvorm "du" wordt in informele situaties gebruikt.
| Singular (enkelvoud) | Plural (meervoud) |
|---|---|
| ich (ik) | wir (wij) |
| du (jij) | ihr (jullie) |
| er / sie / es (hij / zij / het) | sie (zij) |
Uitzonderingen!
- „Sie“ wordt als beleefde aanspreekvorm voor één of meer personen in formele situaties gebruikt en wordt in de zin altijd met een hoofdletter geschreven.
Oefening 1: Grammatica in actie
Instructie: Voer korte dialogen: begroeten, naar iemands welzijn vragen en afscheid nemen.
- Wie begrüßt du eine neue Kollegin am Morgen? (Hoe begroet je ’s ochtends een nieuwe collega?)
- Wann verwendest du „du“ und wann „Sie“ im Büro? (Wanneer gebruik je „du” en wanneer „Sie” op kantoor?)
- Hallo, ich bin … (Hallo, ik ben …)
- Guten Morgen, wie geht's dir? (Goedemorgen, hoe gaat het met je?)
- Guten Tag, wie geht es Ihnen? (Goedendag, hoe gaat het met u?)
- ich / du in Begrüßungen (ich / du bij begroetingen)
- er / sie zur Beschreibung anderer Personen (er / sie om andere personen te beschrijven)
- wir / ihr / sie im Gespräch über Gruppen (wir / ihr / sie bij gesprekken over groepen)