Die Modalverben drücken Einstellungen und Bedürfnisse aus.

(De modale werkwoorden drukken houdingen en behoeften uit.)

Wat doen Duitse modale werkwoorden precies?

  • Met een modaal werkwoord zeg je hoe of of iets gebeurt: verplicht, mogelijk, toegestaan, wens, advies…
  • In het Duits staat het modale werkwoord bijna altijd in combinatie met een infinitief (woord op -en), bijvoorbeeld: tragen, gehen, kaufen.
  • Vergelijk het met het Nederlands: ik moet werken, ik wil gaan, ik kan komen.
Modaal werkwoord Basisbetekenis (globaal, A1) Voorbeeld (Duits)
müssen moeten (plicht) Ich muss einen Anzug tragen.
sollen zou moeten (advies / opdracht van iemand) Du sollst zum Arzt gehen.
dürfen mogen (toestemming / verbod) Wir dürfen hier kein T‑Shirt tragen.
können kunnen (mogelijkheid / capaciteit) Kannst du mir die Schuhe geben?
wollen willen (sterke wil) Ich will ein Kleid anziehen.
möchten graag willen (beleefd / zacht) Ich möchte ein Kleid anprobieren.
mögen leuk / lekker vinden Er mag Schokolade.

Basisregel: plaats van modaal werkwoord en infinitief

  • Een gewone hoofdzin in het Duits heeft op A1 meestal de volgorde:
    Persoon – (tijd/plaats) – modaal werkwoord – … – infinitief (laatste plek)

Voorbeelden

  • Ich muss heute einen Anzug tragen.
  • Wir dürfen hier kein T‑Shirt tragen.
  • Kannst du mir bitte meine Schuhe geben?

Let op veelgemaakte fouten

  • *Ich muss tragen heute einen Anzug.Ik‑vorm staat goed, maar infinitief hoort op het einde.
  • *Ich muss tragen.Alleen correct als de context heel duidelijk is. Beter is: Ich muss heute einen Anzug tragen.
  • *Ich kann Schuhe.Infinitief nodig: Ich kann Schuhe kaufen / tragen / putzen.

Stap 1: betekenis goed kiezen (müssen, sollen, dürfen …)

Gebruik deze vragen om het juiste modale werkwoord te kiezen.

  1. Is het verplicht?
    • Ja → gebruik müssen.
    • Ich muss jeden Tag im Büro arbeiten.
  2. Is het een advies of opdracht van iemand anders?
    • Ja → gebruik sollen.
    • Du sollst mehr Wasser trinken.
  3. Is het toegestaan of verboden?
    • Toestemming / verbod → dürfen.
    • Sie dürfen hier nicht rauchen.
  4. Gaat het om kunnen / mogelijkheid / vaardigheid?
    • Ja → können.
    • Ich kann heute länger bleiben.
  5. Druk je een sterke wil uit?
    • Ja → wollen.
    • Ich will heute früh nach Hause gehen.
  6. Wil je iets beleefd of zacht formuleren?
    • Ja → möchten.
    • Ich möchte die blaue Hose anprobieren.
  7. Gaat het om ‘iets leuk vinden’?
    • Ja → mögen.
    • Ich mag elegante Kleidung.

Zelfcheck

  • Kun je voor elke Nederlandse zin moet / mag / kan / wil / zou moeten / vind leuk een Duits modaal werkwoord kiezen?

Stap 2: vervoeging in de tegenwoordige tijd

De modale werkwoorden zijn onregelmatig. De ik‑vorm en de du/er/sie/es‑vorm hebben vaak een korte stam.

Persoon müssen können wollen
ich muss kann will
du musst kannst willst
er/sie/es muss kann will
wir müssen können wollen
ihr müsst könnt wollt
sie/Sie müssen können wollen
Persoon sollen dürfen
ich soll darf
du sollst darfst
er/sie/es soll darf
wir sollen dürfen
ihr sollt dürft
sie/Sie sollen dürfen
Persoon mögen möchten (vorm van mögen)
ich mag möchte
du magst möchtest
er/sie/es mag möchte
wir mögen möchten
ihr mögt möchtet
sie/Sie mögen möchten

Zelfcheck

  • Kun je snel zeggen: ich kann / du kannst / er kann / wir können zonder te twijfelen?
  • Kun je hetzelfde met müssen, wollen, dürfen en sollen?

Stap 3: speciale gevallen – mögen en möchten

1. Mögen → meestal zonder infinitief

  • Op A1 gebruik je mögen vooral om te zeggen dat je iets leuk / lekker vindt.
  • Daarom staat mögen meestal zonder ander werkwoord.

Voorbeelden

  • Ich mag Schokolade. (≃ Ik houd van chocola.)
  • Er mag sportliche Kleidung.
  • Wir mögen diese Jacke.

Fout om te vermijden

  • *Ich mag Schokolade essen. → op A1 beter: Ich mag Schokolade.

2. Möchten → als een eigen modaal werkwoord

  • möchten komt van mögen, maar je gebruikt het in het dagelijks Duits als apart modaal werkwoord.
  • Betekenis: graag willen, beleefd.
  • Het volgt de normale modale regel: met infinitief aan het einde.

Voorbeelden

  • Ich möchte die blaue Hose anprobieren.
  • Möchtest du in das Kleidungsgeschäft gehen?
  • Wir möchten heute nichts kaufen.

Zelfcheck

  • Kun je uitleggen in je eigen woorden: verschil tussen Ich mag Kaffee en Ich möchte Kaffee?
  • Kun je 2 zinnen maken met mögen en 2 met möchten over eten of kleding?

Woordenvolgorde in vragen en zinnen met tijd / plaats

Met modale werkwoorden blijft de basisstructuur hetzelfde.

1. Mededelende zin

  • Schema: S – (tijd/plaats) – modaal werkwoord – overige info – infinitief

Voorbeelden

  • Ich muss morgen im Büro einen Anzug tragen.
  • Wir dürfen hier keine Jeans tragen.

2. Ja/nee-vraag

  • Schema: Modaal werkwoord – S – overige info – infinitief

Voorbeelden

  • Kannst du mir bitte helfen?
  • Wollen Sie die Jacke anprobieren?
  • Darf ich hier bezahlen?

3. Vraagwoord + vraag

  • Schema: Vraagwoord – modaal werkwoord – S – … – infinitief

Voorbeelden

  • Was müssen Sie morgen tragen?
  • Wann kannst du kommen?

Zelfcheck

  • Kun je een zin ombouwen?
    Du musst heute im Büro einen Anzug tragen.
    Musst du heute im Büro einen Anzug tragen?

Typische valkuilen voor Nederlandstaligen

  • Nederlands “willen” = Duits wollen of möchten
    • Sterk en direct: Ich will…
    • Beleefd / zacht: Ich möchte…
      In een winkel is möchten meestal beter.
    • *Ich will die Jacke. → in een winkel beter: Ich möchte die Jacke anprobieren.
  • “Mogen” ≠ “mögen”
    • Ik mag (toestemming) → Duits ich darf.
    • Ik vind … leuk → Duits ich mag ….
    • Ik mag hier niet roken.Ich darf hier nicht rauchen.
    • Ik mag Schokolade.Ich mag Schokolade.
  • Vergeten infinitief aan het einde
    • Zorg altijd voor een infinitief (behalve bij mögen in de betekenis ‘leuk vinden’).
    • *Ich kann Deutsch. → beter in context: Ich kann Deutsch sprechen.
  • Verkeerde persoonsvorm
    • *Du mussdu musst
    • *Er kannster kann
    • *Ich möchte ein Kleid kaufen, und meine Freunde möchten ein Hemd kaufst.
      … und meine Freunde möchten ein Hemd kaufen.

Snelle stappenplan: hoe maak ik een correcte zin?

  1. Bepaal de persoon
    • ik / jij / hij / wij / u … → kies de juiste vorm van het modale werkwoord.
  2. Kies het juiste modale werkwoord
    • moet / mag / kan / wil / zou moeten / graag willen / leuk vinden.
  3. Zoek de infinitief
    • Wat gebeurt er? tragen, kaufen, gehen, anprobieren …
  4. Bouw de zin
    • Mededelende zin: S – modaal – … – infinitief (laatste plek)
    • Vraag: modaal – S – … – infinitief
  5. Controleer 3 dingen
    • Heb ik de juiste betekenis gekozen (müssen, dürfen, können…)?
    • Is de vervoeging goed (kann / kannst / kann etc.)?
    • Staat de infinitief echt op het einde (behalve bij mögen in de betekenis ‘leuk vinden’)?

Voorbeeld met het stappenplan

  • Nederlands: “Ik moet morgen in het kantoor een pak dragen.”
  • Persoon: ich
  • Betekenis: verplicht → müssenich muss
  • Infinitief: tragen
  • Zin: Ich muss morgen im Büro einen Anzug tragen.

Als je dit stappenplan rustig oefent, heb je in de les meer ruimte om echt te spreken en variatie te proberen.

  1. Een modaal werkwoord wordt altijd gecombineerd met een infinitief (uitzondering „mögen“).
Modalverb (modaal werkwoord)Beispiel (voorbeeld)
SollenDu sollst dich anziehen. 
KönnenKannst du mir meine Schuhe geben? 
MüssenIch muss heute einen Anzug tragen.
DürfenWir dürfen hier kein T-Shirt tragen.
WollenIch will heute ein Kleid anziehen.
MögenEr mag Schokolade.
MöchtenDu möchtest morgen in ein Kleidungsgeschäft gehen.

Uitzonderingen!

  1. Mögen wordt tegenwoordig meestal zonder een hoofdwerkwoord gebruikt, zoals in „Ich mag Schokolade“ .
  2. Möchten is een vorm van „mögen“ , maar wordt in de tegenwoordige tijd als een eigen modaal werkwoord gebruikt.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Ich ______ die blaue Hose anprobieren.

Ik ______ de blauwe broek passen.)

2. Sie ______ die Jacke dort vor dem Spiegel ansehen.

U ______ het jasje daar voor de spiegel bekijken.)

3. Ich ______ für die Arbeit einen Anzug tragen.

Ik ______ voor het werk een pak dragen.)

4. Sie ______ hier die Schuhe nicht ohne Socken anprobieren.

U ______ hier de schoenen niet zonder sokken passen.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met het passende modale werkwoord (sollen, können, müssen, dürfen, wollen, mögen, möchten), zodat ze bij de situatie passen.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (müssen) Ich trage heute einen Anzug. Es ist Pflicht im Büro.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ich muss heute im Büro einen Anzug tragen.
    (Ich muss heute im Büro einen Anzug tragen.)
  2. Hint Hint (sollen) Du gehst heute zum Arzt. Das ist besser für dich.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Du sollst heute zum Arzt gehen.
    (Du sollst heute zum Arzt gehen.)
  3. Hint Hint (möchten) Ich gehe heute ins Kleidungsgeschäft. Ich habe Lust darauf.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ich möchte heute in ein Kleidungsgeschäft gehen.
    (Ich möchte heute in ein Kleidungsgeschäft gehen.)
  4. Hint Hint (dürfen) Wir tragen hier kein T‑Shirt. Es ist nicht erlaubt.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wir dürfen hier kein T‑Shirt tragen.
    (Wir dürfen hier kein T‑Shirt tragen.)
  5. Hint Hint (mögen) Er isst sehr gern Schokolade.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Er mag Schokolade.
    (Er mag Schokolade.)
  6. Hint Hint (können) Gibst du mir bitte meine Schuhe? Ist das möglich?
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Kannst du mir bitte meine Schuhe geben?
    (Kannst du mir bitte meine Schuhe geben?)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Speel klant en verkoper en bespreek geschikte kleding voor morgen.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Sie sind im Kleidungsgeschäft und kaufen Kleidung für die Arbeit.
(U bent in een kledingwinkel en koopt kleding voor het werk.)

Bespreek
  • Was müssen Sie morgen bei der Arbeit tragen? (Wat moet u morgen op het werk dragen?)
  • Was dürfen Sie im Büro nicht anziehen? Warum?','Was möchten Sie heute kaufen und warum? (Wat mag u op kantoor niet dragen? Waarom?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Ich muss einen Anzug / eine Hose / ein Hemd tragen. (Ik moet een pak / een broek / een overhemd dragen.)
  • Ich darf im Büro kein T‑Shirt und keine Jeans tragen. (Ik mag op kantoor geen T-shirt en geen spijkerbroek dragen.)
  • Ich möchte dieses Kleid / diese Jacke anprobieren. Können Sie mir helfen? (Ik wil deze jurk / deze jas passen. Kunt u mij helpen?)

Gebruik in gesprek
  • Ich muss ... tragen. (Ik moet ... dragen.)
  • Kann ich ... anprobieren? (Mag ik ... passen?)
  • Ich möchte ... kaufen. (Ik wil ... kopen.)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 18/02/2026 18:15