Die Modalverben drücken Einstellungen und Bedürfnisse aus.
(De modale werkwoorden drukken houdingen en behoeften uit.)
- Een modaal werkwoord wordt altijd met een infinitief gecombineerd (uitzondering „mögen").
| Modalverb (Modaal werkwoord) | Beispiel (Voorbeeld) |
|---|---|
| Sollen | Du sollst dich anziehen. (Jij moet je aankleden. ) |
| Können | Kannst du mir meine Schuhe geben? (Kun je mij mijn schoenen geven? ) |
| Müssen | Ich muss heute einen Anzug tragen. (Ik moet vandaag een pak dragen.) |
| Dürfen | Wir dürfen hier kein T-Shirt tragen. (Wij mogen hier geen T-shirt dragen.) |
| Wollen | Ich will heute ein Kleid anziehen. (Ik wil vandaag een jurk aantrekken.) |
| Mögen | Er mag Schokolade. (Hij houdt van chocolade.) |
| Möchten | Du möchtest morgen in ein Kleidungsgeschäft gehen. (Jij wilt morgen naar een kledingwinkel gaan.) |
Uitzonderingen!
- Mögen wordt tegenwoordig meestal zonder een vol werkwoord gebruikt, zoals in „Ich mag Schokolade“ .
- Möchten is een vorm van „mögen“ , maar wordt in de tegenwoordige tijd als een eigen modaal werkwoord gebruikt.
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. Sie ____ die Jacke hier anprobieren.
U ____ de jas hier passen.2. Ich ____ eine Bluse in Größe M.
Ik ____ een blouse in maat M.3. Ich ____ heute einen Anzug tragen.
Ik ____ vandaag een pak dragen.4. Sie ____ die Schuhe nicht im Laden tragen.
U ____ de schoenen niet in de winkel dragen.Oefening 2: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen met het passende modale werkwoord (sollen, können, müssen, dürfen, wollen, mögen, möchten). Zet de infinitief aan het einde van de zin (uitzondering: „mögen“ vaak zonder zelfstandig werkwoord).
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldDu sollst dich jetzt anziehen.(Je moet je nu aankleden.)
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldKannst du mir bitte meine Schuhe geben?(Kun je me alsjeblieft mijn schoenen geven?)
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldIch muss heute im Büro einen Anzug tragen.(Ik moet vandaag op kantoor een pak dragen.)
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldWir dürfen hier kein T‑Shirt tragen.(Wij mogen hier geen T-shirt dragen.)
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldIch will heute ein Kleid anziehen.(Ik wil vandaag een jurk aantrekken.)
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldDu möchtest morgen in ein Kleidungsgeschäft gehen.(Je zou morgen naar een kledingwinkel willen gaan.)
Oefening 3: Grammatica in actie
Instructie: Speel verkoper en klant: vind samen een passende outfit.
- Was suchst du genau: Anzug, Hemd, Hose oder Schuhe? (Wat zoek je precies: pak, overhemd, broek of schoenen?)
- Welche Größe brauchst du und was kannst du jetzt anprobieren?","Was musst du für das Meeting tragen und was darfst du nicht anziehen?","Was möchtest du kaufen und was soll der Verkäufer dir zeigen? (Welke maat heb je nodig en wat kun je nu passen?)
- Ich suche einen Anzug und ein Hemd. (Ik zoek een pak en een overhemd.)
- Kannst du mir die Jacke in Größe M geben? (Kun je me het jasje in maat M geven?)
- Ich muss heute schwarze Schuhe tragen. (Ik moet vandaag zwarte schoenen dragen.)
- Ich muss ... tragen. (Ik moet ... dragen.)
- Kann ich ... anprobieren? (Kan ik ... passen?)