Adjektive verändern sich im Deutschen auch je nach Art des Artikels.

(Bijvoeglijke naamwoorden veranderen in het Duits ook afhankelijk van het soort lidwoord.)

Wat leer je hier precies?

  • Je leert bijvoeglijke naamwoorden (groß, klein, jung…) met een zelfstandig naamwoord te gebruiken.
  • Je ziet welke uitgang van het bijvoeglijk naamwoord je nodig hebt in de nominatief enkelvoud en meervoud.
  • Je oefent het verschil tussen met bepaald lidwoord (der, die, das), met onbepaald lidwoord (ein, eine) en zonder lidwoord in het meervoud.

Stap 1 – Herken het patroon

In dit hoofdstuk gaat het alleen om:

  • nominatief (wie is dat?)
  • personen / dingen beschrijven
  • met: der / die / das, ein / eine of geen lidwoord (meervoud)

Basisvoorbeelden:

Duits Nederlands Structuur
der große Mann de groote man der + große + Mann
ein großer Mann een groote man ein + großer + Mann
die große Frau de kleine vrouw die + große + Frau
ein großes Kind een groot kind ein + großes + Kind
große Kinder groote kinderen (geen lidwoord) + große + Kinder

Stap 2 – De kernregel in 1 oogopslag

We kijken alleen naar de uitgang van het bijvoeglijk naamwoord.

Met bepaald lidwoord
(der, die, das)
Met onbepaald lidwoord
(ein, eine)
Meervoud zonder lidwoord
mannelijk
(der Mann)
große
der große Mann
großer
ein großer Mann
vrouwelijk
(die Frau)
große
die große Frau
große
eine große Frau
onzijdig
(das Kind)
große
das große Kind
großes
ein großes Kind
meervoud
(die Kinder)
großen
die großen Kinder
große
große Kinder

Belangrijk: De vorm hangt af van:

  • het geslacht (der / die / das)
  • enkelvoud of meervoud
  • het type lidwoord: bepaald, onbepaald of geen lidwoord

Stap 3 – Denk in 3 vragen

  1. Welke functie?
    In deze les altijd: nominatief (onderwerp: wie / wat?).
    Voorbeeld: Wer ist das? – Das ist ein junger Kollege.
  2. Welk lidwoord?
    der? die? das? een/eine? of geen lidwoord in het meervoud?
  3. Welk geslacht / aantal?
    der = mannelijk, die = vrouwelijk of meervoud, das = onzijdig.

Daarna kies je de juiste uitgang uit de tabel.

Stap 4 – Handige mini-regels

  • Mannelijk (der Mann):
    • met der: großeder große Manager
    • met ein: großerein großer Manager
  • Vrouwelijk (die Frau):
    • met die / eine: altijd großedie freundliche Kollegin, eine neue Kollegin
  • Onzijdig (das Kind, das Büro):
    • met das: großedas moderne Büro
    • met ein: großesein modernes Büro
  • Meervoud (die Kinder, die Computer):
    • met die: -endie neuen Computer
    • zonder lidwoord: -eneue Computer

Stap 5 – Typische fouten en hoe je ze vermijdt

  • Verwarring met Nederlands
    In het Nederlands zeg je: een groote man.
    Veel cursisten zeggen dan in het Duits: ein große Mann.
    Correct is: ein großer Mann.
  • Mannelijk enkelvoud met ein
    Denk: ein Mann → einer → großer.
    ein alter Kollege, ein neuer Chef.
  • Meervoud met die
    Veel mensen vergeten de -en:
    die große Kollegendie großen Kollegen.
  • Meervoud zonder lidwoord
    Hier is het -e, niet -en:
    Wir suchen motivierte Praktikanten.
    Wir suchen motivierten Praktikanten.

Stap 6 – Vergelijk met het Nederlands

Vaak helpt een korte vergelijking.

Nederlands Duits Opmerking
de grote man der große Mann vergelijkbaar: allebei -e
een grote man ein großer Mann hier verschilt het: NL -e, DE -er
een modern kantoor ein modernes Büro onzijdig: Duits krijgt -es
goede collega’s gute Kollegen meervoud zonder lidwoord: -e
de nieuwe collega’s die neuen Kollegen meervoud met die: -en

Stap 7 – Zelfcheck: kan ik dit al?

Beantwoord voor jezelf de vragen. Als je twijfelt, kijk terug naar de tabel.

  1. Hoe zeg je in het Duits:
    Dat is een jonge collega.
    Das ist ein junger Kollege.
  2. Hoe zeg je:
    De nieuwe chefin is erg vriendelijk.
    Die neue Chefin ist sehr freundlich.
  3. Hoe zeg je:
    Wij hebben moderne kantoren. (zonder lidwoord voor kantoren)
    Wir haben moderne Büros.
  4. Hoe zeg je:
    De grote kinderen lachen.
    Die großen Kinder lachen.

Stap 8 – Waar moet je vooral op letten?

  • Herken eerst der / die / das / ein / eine / geen lidwoord.
  • Bepaal dan: mannelijk, vrouwelijk, onzijdig, meervoud.
  • Kies de uitgang uit de tabel:
    • mannelijk: der → -e, ein → -er
    • vrouwelijk: altijd -e
    • onzijdig: das → -e, ein → -es
    • meervoud: die → -en, geen lidwoord → -e

Als deze stappen automatisch gaan, kun je in gesprek heel snel en natuurlijk personen beschrijven: collega’s, klanten, familie, foto’s in een presentatie, enzovoort.

  1. De mannelijke uitgang is (-e) met bepaald lidwoord en (-er) met onbepaald lidwoord
  2. De vrouwelijke uitgang is (-e) met bepaald en onbepaald lidwoord
  3. De onzijdige uitgang is (-e) met bepaald lidwoord en (-es) met onbepaald lidwoord
  4. In het meervoud zijn de uitgangen gelijk: (-en) met bepaald lidwoord en (-e) met onbepaald lidwoord
Beispielnomen (voorbeeldzelfstandige naamwoorden)Mit bestimmtem Artikel (Met bepaald lidwoord)Mit unbestimmtem Artikel
der Mannder große Mann ein großer Mann 
die Fraudie große Frau eine große Frau 
das Kinddas große Kind ein großes Kind 
die Kinderdie großen Kinder — große Kinder 

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Der neue Kollege ist der ___ Mann mit dem schwarzen Bart.

De nieuwe collega is de ___ man met de zwarte baard.)

2. Das ist eine ___ Frau mit langen, braunen Locken.

Dat is een ___ vrouw met lange, bruine krullen.)

3. Auf dem Foto sind die ___ Kinder mit den schwarzen Haaren.

Op de foto zijn de ___ kinderen met het zwarte haar.)

4. Im Meeting sehe ich ein ___ Kind vor dem Computer.

In de vergadering zie ik een ___ kind voor de computer.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen. Zet het bijvoeglijk naamwoord in de juiste vorm met bepaalde of onbepaalde lidwoorden (de/het, een) of in het meervoud zonder lidwoord, zoals in het voorbeeld.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (den) Er sieht ______ Mann jeden Tag im Büro. (jung)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Er sieht den jungen Mann jeden Tag im Büro.
    (Er sieht den jungen Mann jeden Tag im Büro.)
  2. Hint Hint (eine) Frau Klein ist ______ Chefin. (neu)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Frau Klein ist eine neue Chefin.
    (Frau Klein ist eine neue Chefin.)
  3. Hint Hint (eine) Ich suche ______ Praktikantin. (motiviert)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ich suche eine motivierte Praktikantin.
    (Ich suche eine motivierte Praktikantin.)
  4. Hint Hint (ein) Das ist ______ Kollege aus Berlin. (nett)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Das ist ein netter Kollege aus Berlin.
    (Das ist ein netter Kollege aus Berlin.)
  5. Hint Hint (ein) Wir haben ______ Büro in der Stadt. (modern)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wir haben ein modernes Büro in der Stadt.
    (Wir haben ein modernes Büro in der Stadt.)
  6. Die Firma hat ______ Computer. (gut)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Die Firma hat gute Computer.
    (Die Firma hat gute Computer.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Beschrijf een persoon op de foto zodat je partner hem/haar kan vinden.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
In der Firma zeigen Sie einem Kollegen ein Foto mit mehreren Personen.
(Op het werk laat u een collega een foto met meerdere personen zien.)

Bespreek
  • Wie sieht die gesuchte Person aus? Beschreiben Sie Haare, Größe und Kleidung. (Hoe ziet de gezochte persoon eruit? Beschrijf haar/hem: haar, lengte en kleding.)
  • Welche Person passt als neuer Kollege? Begründen Sie kurz mit Aussehen. (Welke persoon zou passen als nieuwe collega? Geef een korte motivatie op basis van het uiterlijk.)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • der dicke Mann mit schwarzem Bart (de dikke man met zwarte baard)
  • die dünne Frau mit langen Locken (de slanke vrouw met lange krullen)
  • ein großer blonder Kollege (een lange blonde collega)

Gebruik in gesprek
  • der + Adjektiv + Nomen im Nominativ, z.B. der große Mann (der + Adjektiv + Nomen im Nominativ, z.B. der große Mann)
  • ein + Adjektiv + Nomen im Nominativ, z.B. ein großer Mann (ein + Adjektiv + Nomen im Nominativ, z.B. ein großer Mann)
  • Plural ohne Artikel + Adjektiv, z.B. große Kinder (Plural ohne Artikel + Adjektiv, z.B. große Kinder)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 18/02/2026 17:41