A1.23.2 - Adjectieven in de nominatief met bepaalde en onbepaalde lidwoorden
Adjektive im Nominativ mit bestimmten & unbestimmten Artikeln
Adjektive beschreiben, wie etwas oder jemand ist. Sie passen sich dem Nomen an – je nach Geschlecht und Anzahl.
(Adjectieven beschrijven hoe iets of iemand is. Ze passen zich aan het zelfstandig naamwoord aan – afhankelijk van geslacht en aantal.)
- Het bijvoeglijk naamwoord staat tussen het lidwoord en het zelfstandig naamwoord.
- Het krijgt een uitgang – afhankelijk van het lidwoord, geslacht en aantal.
- Na „der/de/das“ en „ein/eine/ein“ ziet de uitgang er anders uit.
| Beispielnomen (Voorbeeldzelfstandige naamwoorden) | Mit bestimmtem Artikel (Met bepaald lidwoord) | Mit unbestimmtem Artikel (Met onbepaald lidwoord) |
|---|---|---|
| der Mann (de man) | der große Mann 🔊 (de groote man) | ein großer Mann 🔊 (een groote man) |
| die Frau (de vrouw) | die große Frau 🔊 (de groote vrouw) | eine große Frau 🔊 (een groote vrouw) |
| das Kind (het kind) | das große Kind 🔊 (het groote kind) | ein großes Kind 🔊 (een groote kind) |
| die Kinder (de kinderen) | die großen Kinder 🔊 (de groote kinderen) | — große Kinder 🔊 (— groote kinderen) |
Oefening 1: Bijvoeglijke naamwoorden in de nominatief met bepaalde en onbepaalde lidwoorden
Instructie: Vul het juiste woord in.
kleiner, hässliche, kurzen, blonden, lange, dünne, netten, schwarzen
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. Der neue Kollege ist der ____ Mann mit dem schwarzen Bart.
De nieuwe collega is de ____ man met de zwarte baard.)2. Im Meeting sitzt eine ____ Frau mit langen, braunen Haaren neben mir.
In de vergadering zit een ____ vrouw met lang, bruin haar naast mij.)3. Auf dem Foto ist ein ____ Kind mit schönen Locken.
Op de foto staat een ____ kind met mooie krullen.)4. Vor dem Gebäude stehen die ____ , schwarzen Firmenwagen und die kleinen, roten Fahrräder der Mitarbeiter.
Voor het gebouw staan de ____ , zwarte bedrijfswagens en de kleine, rode fietsen van de medewerkers.)Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen. Zet het adjectief met de juiste uitgang tussen het lidwoord en het zelfstandig naamwoord (bepaald of onbepaald lidwoord). Voorbeeld: der Mann ist groß → der große Mann / ein großer Mann.
-
Der Mann ist alt.
-
Die Frau ist freundlich.⇒ _______________________________________________ Exampledie freundliche Frau(die vriendelijke Frau)
-
Das Kind ist klein.
-
Die Kollegen sind neu.
-
Ich habe einen Laptop. Der Laptop ist teuer.⇒ _______________________________________________ ExampleIch habe einen teuren Laptop.(Ich habe einen teuren Laptop.)
-
Wir suchen Praktikanten. Die Praktikanten sind motiviert.⇒ _______________________________________________ ExampleWir suchen motivierte Praktikanten.(Wir zoeken gemotiveerde stagiairs.)
Pas deze grammatica toe tijdens echte gesprekken!
Deze grammatica-oefeningen maken deel uit van onze conversatiecursussen. Vind een leraar en oefen dit onderwerp tijdens echte gesprekken!
- Implementeert ERK-, DELE-examen en Cervantes-richtlijnen
- Ondersteund door de universiteit van Siegen
Geschreven door
Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage