A1.27: Vormen en figuren

Formen und Gestalten

Leer de demonstratieve voornaamwoorden dieser, diese, dieses gebruiken om vormen als Dreieck, Quadrat en Kreis te beschrijven, inclusief eigenschappen als rund, eckig, krumm en gerade.

Woordenschat (17)

 Weit: wijd (Duits)

Weit

Show

Wijd Show

 Breit: breed (Duits)

Breit

Show

Breed Show

 Leicht: licht (Duits)

Leicht

Show

Licht Show

 Schwer: zwaar (Duits)

Schwer

Show

Zwaar Show

 Gerade: recht (Duits)

Gerade

Show

Recht Show

 Rund: rond (Duits)

Rund

Show

Rond Show

 Eckig: hoekig (Duits)

Eckig

Show

Hoekig Show

 Passen (passen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Passen

Show

Passen Show

 Hoch: hoog (Duits)

Hoch

Show

Hoog Show

 Krumm: scheef (Duits)

Krumm

Show

Scheef Show

 Niedrig: laag (Duits)

Niedrig

Show

Laag Show

 Das Dreieck: de driehoek (Duits)

Das Dreieck

Show

De driehoek Show

 Der Kreis: de cirkel (Duits)

Der Kreis

Show

De cirkel Show

 Das Quadrat: Het vierkant (Duits)

Das Quadrat

Show

Het vierkant Show

 Das Rechteck: De rechthoek (Duits)

Das Rechteck

Show

De rechthoek Show

 Die Linie: De lijn (Duits)

Die Linie

Show

De lijn Show

 Eng: nauw (Duits)

Eng

Show

Nauw Show

Oefeningen

Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.

Oefening 1: Zinnen herschikken

Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.

Toon antwoorden
1.
gerade | Linie | und | breit. | ist | Diese
Diese Linie ist gerade und breit.
(Deze lijn is recht en breed.)
2.
ist dieses | Welches ist | Quadrat? | dieses Dreieck, | und welches
Welches ist dieses Dreieck, und welches ist dieses Quadrat?
(Welke is deze driehoek, en welke is dit vierkant?)
3.
leicht. | Kreis, er | ist sehr | Ich mag | diesen runden
Ich mag diesen runden Kreis, er ist sehr leicht.
(Ik vind deze ronde cirkel leuk, hij is heel licht.)
4.
eng. | ist hoch | und etwas | Das Rechteck
Das Rechteck ist hoch und etwas eng.
(De rechthoek is hoog en iets smal.)
5.
passen gut | sind. | zusammen, weil | Diese Formen | sie unterschiedlich
Diese Formen passen gut zusammen, weil sie unterschiedlich sind.
(Deze vormen passen goed bij elkaar omdat ze verschillend zijn.)
6.
eine krumme | Koffer hat | Form, aber | praktisch. | Dieser schwere | er ist
Dieser schwere Koffer hat eine krumme Form, aber er ist praktisch.
(Deze zware koffer heeft een kromme vorm, maar hij is praktisch.)

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Kom de vertalingen overeen

Dieses Quadrat ist sehr breit, (Dit vierkant is erg breed,)
Der Kreis hat keine Ecke, (De cirkel heeft geen hoek,)
Diese Linie ist krumm, (Deze lijn is krom,)
Das Rechteck ist eng und hoch, (De rechthoek is smal en hoog,)

Oefening 3: Clusteren van woorden

Instructie: Orden de volgende woorden in de twee categorieën om vormen en hun eigenschappen beter te begrijpen.

Formen (geometrische Figuren)

Eigenschaften von Formen

Oefening 4: Vertaal en gebruik in een zin

Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.

1

Das Quadrat


Het vierkant

2

Krumm


Scheef

3

Der Kreis


De cirkel

4

Hoch


Hoog

5

Das Rechteck


De rechthoek

Übung 5: Gespreksoefening

Anleitung:

  1. Beschrijf de afbeeldingen en vergelijk ze. (Beschrijf de afbeeldingen en vergelijk ze.)
  2. Vraag de anderen wat ze liever hebben. Kleinere of grotere auto's, ... ? (Vraag de anderen wat ze liever hebben. Kleinere of grotere auto's, .... ?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Dieses Auto ist klein und alt.

Deze auto is klein en oud.

Das Auto ist größer und neuer.

Die auto is groter en nieuwer.

Die Jungen tragen breitere Hosen.

De jongens dragen bredere broeken.

Welches Auto bevorzugen Sie?

Welke auto heb je liever?

Ich bevorzuge ein kleineres, aber moderneres Auto.

Ik geef de voorkeur aan een kleinere maar modernere auto.

Ich bevorzuge alte Autos.

Ik geef de voorkeur aan oude auto's.

Die Straße ist sehr schmal.

De straat is erg smal.

...

Oefening 6: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 7: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Dieser Stuhl ___ gut zu dem runden Tisch.

(Deze stoel ___ goed bij de ronde tafel.)

2. Magst du diesen breiten Teppich im Wohnzimmer? (Verb fehlt)

(Vind je dit brede tapijt in de woonkamer leuk? (Werkwoord ontbreekt))

3. Diese hohen Regale ___ nicht in das kleine Büro.

(Deze hoge kasten ___ niet in het kleine kantoor.)

4. Ich finde, dieser runde Spiegel ___ perfekt an diese Wand.

(Ik vind dat deze ronde spiegel ___ perfect aan deze muur.)

Oefening 8: Vormen in de woonkamer

Instructie:

Am Wochenende (Helfen - Präsens) ich meinem Freund, das Wohnzimmer neu zu gestalten. Wir (Wählen - Präsens) ein neues Sofa, das sehr breit ist und gut (Passen - Präsens) in die Ecke neben dem Fenster. Mein Freund (Fragen - Präsens) mich: „Magst du diesen Kreis auf dem Teppich oder das Quadrat lieber?“ Ich (Sagen - Präsens) , dass mir das Dreieck nicht gefällt, weil es zu eckig ist. Das Sofa und der Tisch (Passen - Präsens) gut zusammen, weil der Tisch sehr niedrig und rund ist. Wir (Freuen - Präsens) uns auf die neue Einrichtung!


In het weekend help ik mijn vriend het woonkamer opnieuw in te richten. We kiezen een nieuwe bank, die heel breed is en goed past in de hoek naast het raam. Mijn vriend vraagt mij: „Vind je deze cirkel op het tapijt of liever het vierkant?” Ik zeg dat ik de driehoek niet mooi vind omdat die te hoekig is. De bank en de tafel passen goed bij elkaar, omdat de tafel heel laag en rond is. We kijken uit naar de nieuwe inrichting!

Werkwoordschema's

Helfen - Helpen

Präsens

  • ich helfe
  • du hilfst
  • er/sie/es hilft
  • wir helfen
  • ihr helft
  • sie/Sie helfen

Wählen - Kiezen

Präsens

  • ich wähle
  • du wählst
  • er/sie/es wählt
  • wir wählen
  • ihr wählt
  • sie/Sie wählen

Passen - Passen

Präsens

  • ich passe
  • du passt
  • er/sie/es passt
  • wir passen
  • ihr passt
  • sie/Sie passen

Fragen - Vragen

Präsens

  • ich frage
  • du fragst
  • er/sie/es fragt
  • wir fragen
  • ihr fragt
  • sie/Sie fragen

Sagen - Zeggen

Präsens

  • ich sage
  • du sagst
  • er/sie/es sagt
  • wir sagen
  • ihr sagt
  • sie/Sie sagen

Freuen - Kijken

Präsens

  • ich freue
  • du freust
  • er/sie/es freut
  • wir freuen
  • ihr freut
  • sie/Sie freuen

Oefening 9: Das Demonstrativpronomen (dieser, diese, dieses)

Instructie: Vul het juiste woord in.

Grammatica: Het aanwijzend voornaamwoord (deze, dit, deze)

Toon vertaling Toon antwoorden

Dieser, dieses, diesem, Dieses, Diese, diesen, diese

1.
Wir arbeiten mit ... Rechteck aus Pappe.
(Wij werken met dit kartonnen rechthoek.)
2.
... Dreieck passt nicht in das Quadrat.
(Dit driehoek past niet in het vierkant.)
3.
Schau mal! ... Linie ist sehr gerade.
(Kijk eens! Deze lijn is heel recht.)
4.
Ich finde ... Kreis schöner als den daneben.
(Ik vind deze cirkel mooier dan die ernaast.)
5.
Wir wählen ... Rechteck, weil es besser passt.
(We kiezen dit rechthoek, omdat het beter past.)
6.
Ich finde ... Linie zu krumm.
(Ik vind deze lijn te krom.)
7.
Sie zeigen den Kindern ... Linien auf dem Papier.
(Ze laten de kinderen deze lijnen op het papier zien.)
8.
... Kreis ist rund.
(Deze cirkel is rond.)

Grammatica

We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!

A1.27.1 Grammatik

Das Demonstrativpronomen (dieser, diese, dieses)

Het aanwijzend voornaamwoord (deze, dit, deze)


Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les

Passen passen

Präsens

Duits Nederlands
(ich) passe ik pas
(du) passt jij past
(er/sie/es) passt hij/zij/het past
(wir) passen wij passen
(ihr) passt jullie passen
(sie) passen zij passen

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!

Wil je vandaag Duits oefenen? Dat kan! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.

Schrijf je nu in!

Overzicht van de les: Vormen en demonstratieve voornaamwoorden

In deze les leer je de Duitse demonstratieve voornaamwoorden dieser, diese, dieses toepassen in de context van vormen en geometrische figuren. De les richt zich op het herkennen en beschrijven van vormen zoals das Dreieck (de driehoek), das Quadrat (het vierkant), das Rechteck (de rechthoek) en der Kreis (de cirkel).

Belangrijke woordenschat: vormen en eigenschappen

Naast de namen van de vormen, leer je ook veelgebruikte bijvoeglijke naamwoorden om eigenschappen te beschrijven:

  • eckig – hoekig
  • rund – rond
  • gerade – recht
  • krumm – krom

Gebruik van demonstratieve voornaamwoorden

De demonstratieve voornaamwoorden dieser (mannelijk), diese (vrouwelijk) en dieses (onzijdig) worden gebruikt om specifieke vormen aan te wijzen of vergelijken. Bijvoorbeeld:

  • Dieser Tisch ist rund und klein. (Deze tafel is rond en klein.)
  • Welches ist dieses Dreieck, und welches ist dieses Quadrat? (Welk is deze driehoek en welk is dit vierkant?)

Praktijk en dagelijkse situatie

Je oefent met zinnen die je kunt gebruiken bij het beschrijven van meubels, kantoorartikelen of kunstvoorwerpen. Dit helpt je om vormen te benoemen en voorkeuren uit te drukken, bijvoorbeeld:

  • Ich mag diesen runden Kreis, er ist sehr leicht. (Ik vind deze ronde cirkel leuk, hij is erg licht.)
  • Dieser schwere Koffer hat eine krumme Form, aber er ist praktisch. (Deze zware koffer heeft een kromme vorm, maar hij is praktisch.)

Verschillen tussen het Duits en Nederlands

In het Duits is het belangrijk om het juiste demonstratief pronomen te kiezen volgens het geslacht (mannelijk, vrouwelijk, onzijdig) en de naamval. In het Nederlands gebruiken we meestal het aanwijzend voornaamwoord deze of dit zonder geslachtsonderscheid, bijvoorbeeld:

  • Duits: dieser Stuhl (deze stoel, mannelijk)
  • Nederlands: deze stoel (mannelijk of vrouwelijk)

Let ook op het gebruik van bijvoeglijke naamwoorden achter het demonstratief pronomen in het Duits, die vaak overeenkomen met het Nederlandse gebruik.

Nuttige uitdrukkingen om te oefenen

  • Welches ist dieses Quadrat? – Welk is dit vierkant?
  • Dieser Tisch ist rund und klein. – Deze tafel is rond en klein.
  • Diese Formen passen gut zusammen. – Deze vormen passen goed bij elkaar.
  • Ich finde diesen Stuhl schön. – Ik vind deze stoel mooi.

Deze lessen zouden niet mogelijk zijn zonder onze geweldige partners🙏