Beschrijf vormen en figuren.
Beschrijf basisobjecten.
Geef voorkeuren aan.
Woordenschat
Leer de belangrijkste woorden en werkwoorden die je voor deze les nodig hebt.
Activiteit: Welke vorm past bij mijn gezicht?
Thomas en Irene zijn bij de opticien omdat Thomas een nieuwe bril nodig heeft. Irene adviseert Thomas bij het kiezen van de bril.
Grammatica: Het aanwijzend voornaamwoord (dieser, diese, dieses)
„Dieser, diese, dieses“ gebruik je om iets specifieks aan te wijzen of te benadrukken.
Oefeningen
Pas in de praktijk toe wat je hebt geleerd.
In het klaslokaal
Spreken
Oefen spreken met je docent!