Verwende „wer“, „was“ und „welcher/welche/welches“ in deinen Fragen.

(Gebruik „wer“, „was“ en „welcher/welche/welches“ in je vragen.)

Wat is het verschil tussen wer, was en welcher/welche/welches?

  • wer = wie? (alleen voor personen)
  • was = wat? (voor dingen, activiteiten, studies, beroepen als algemene vraag)
  • welcher / welche / welches = welk(e)? (je kiest uit een groep, bij een zelfstandig naamwoord)

Stel jezelf bij elke vraag af:

  1. Vraag ik naar een persoon? → meestal wer.
  2. Vraag ik naar een ding / activiteit / beroep in het algemeen? → meestal was.
  3. Maak ik een keuze binnen een groep en staat er een zelfstandig naamwoord achter? → welcher / welche / welches.

wer: vragen naar personen

  • Betekenis: “wie?”
  • Gebruik: alleen voor mensen.
  • Vorm: in de basisvorm altijd wer.

Voorbeelden:

  • Wer arbeitet als Ärztin? – Wie werkt als arts?
  • Wer ist das? – Wie is dat?

Let op een veelgemaakte fout:

  • Was arbeitet als Ärztin? ✗ → Wer arbeitet als Ärztin?

Bijzonderheid: In de basisvorm voelt wer grammaticaal als enkelvoud, maar kan ook op meerdere personen slaan.

  • Wer sind die? – Wie zijn dat?

was: vragen naar dingen, activiteiten en “wat doe je (van beroep)”

  • Betekenis: “wat?”
  • Gebruik:
    • voor dingen: Was ist das? – Wat is dat?
    • voor activiteiten / studie: Was studierst du? – Wat studeer je?
    • voor een algemene vraag naar een beroep (zonder keuze): Was bist du von Beruf? – Wat ben jij van beroep?

Vergelijk:

  • Was studierst du? – Wat studeer je? (open vraag)
  • Welches Studium ist interessant? – Welke studie is interessant? (keuze uit verschillende studies)

Typische fouten:

  • Wer studierst du? ✗ → Was studierst du?
  • Wer bist du von Beruf? ✗ → Was bist du von Beruf?

welcher / welche / welches: kiezen uit een groep

Betekenis: “welk / welke?”

Gebruik: als je:

  • een zelfstandig naamwoord hebt: Beruf, Firma, Lehrer, Frau, Kind …
  • een keuze maakt uit meerdere mogelijkheden.
Duits Geslacht (Duits) Betekenis NL Voorbeeld
welcher mannelijk (der) welke / welk Welcher Lehrer ist nett?
welche vrouwelijk (die) welke Welche Frau ist deine Mutter?
welches onzijdig (das) welk Welches Kind ist das?
welche meervoud (die) welke Welche Kollegen sind heute da?

Belangrijk:

  • welcher/welche/welches past zich aan aan het geslacht en getal van het zelfstandig naamwoord.
  • Vragen altijd met een zelfstandig naamwoord direct erachter:
    • Welcher Beruf interessiert Sie?
    • Welche Firma ist interessant?
    • Welches Fach ist schwer?

Typische fouten:

  • Welche Lehrer ist nett? ✗ (Lehrer = mannelijk, enkelvoud) → Welcher Lehrer ist nett?
  • Welches Frau ist deine Kollegin? ✗ → Welche Frau ist deine Kollegin?
  • Welcher Kinder sind neu? ✗ → Welche Kinder sind neu?

Snelle keuzehulp: wer, was of welcher/welche/welches?

Gebruik dit mini-schema in je hoofd:

Situatie Vraagwoord Voorbeeld
Je zoekt naar een persoon wer Wer ist das?
Je vraagt algemeen naar ding / activiteit / beroep was Was studierst du?
Je maakt een keuze en er staat een zelfstandig naamwoord achter welcher / welche / welches Welche Firma ist interessant?

Controleer jezelf:

  1. Staat er géén zelfstandig naamwoord direct achter? → denk eerst aan wer of was.
  2. Staat er wél een zelfstandig naamwoord achter? → denk aan welcher/welche/welches.
  3. Is dat zelfstandig naamwoord der / die / das? → kies de passende vorm.

Woordvolgorde in vragen met vraagwoorden

De structuur is altijd:

Vraagwoord + persoonsvorm (vervoegd werkwoord) + onderwerp + …?

  • Wer arbeitet als Ingenieur? (Wer + arbeitet + …)
  • Was studierst du? (Was + studierst + du?)
  • Welcher Beruf interessiert Sie? (Welcher Beruf + interessiert + Sie?)

Let op fouten zoals in het Nederlands:

  • Was du studierst? ✗ → Was studierst du?
  • Welcher Beruf Sie haben? ✗ → Welchen Beruf haben Sie?

Veelgemaakte fouten door Nederlandstaligen

  • Verwarring wie/wat ↔ wer/was
    • Nederlands “wie” = Duits wer (personen).
    • Nederlands “wat” = Duits was (dingen, activiteiten).
    • Niet omdraaien: Was arbeitet als Arzt?
  • “Welk(e)” vertalen zonder geslacht te checken
    • In het Nederlands: altijd welk / welke.
    • In het Duits moet je eerst weten: der, die of das?
    • Pas dan kies je: welcher, welche, welches.
  • Vraagwoord + werkwoord omdraaien
    • Onthoud: na het vraagwoord komt altijd direct de persoonsvorm.

Stap-voor-stap: zelf controleren of je vraag klopt

  1. Bepaal waar je naar vraagt
    • Persoon → wer
    • Ding / activiteit / beroep (open) → was
    • Keuze + zelfstandig naamwoord → welcher/welche/welches
  2. Zoek het geslacht van het zelfstandig naamwoord (bij keuzevragen)
    • der → welcher
    • die (sg.) → welche
    • das → welches
    • meervoud (die) → welche
  3. Zet de volgorde goed
    • Vraagwoord (+ zelfstandig naamwoord) – werkwoord – onderwerp – …?
  4. Maak een snelle vertaalcheck in het Nederlands
    • Klinkt het als: Wie …?, Wat …? of Welk(e) …? Als ja → grote kans dat de vraag klopt.

Wat moet je nu zeker kunnen?

  • Je weet wanneer je wer gebruikt en wanneer was.
  • Je kunt welcher / welche / welches koppelen aan der / die / das / die (Pl.).
  • Je kunt zelf controleren of de woordvolgorde in je vraag klopt.
  • Je kunt in het Duits vragen stellen als:
    • Wie is dat?
    • Wat studeer je?
    • Welk beroep interesseert u?

Als je deze punten vlot kunt, ben je goed voorbereid op gesprekken over werk en studie in het Duits.

  1. Vragende voornaamwoorden gebruik je om specifieke informatie te vragen – afhankelijk van of het om personen, dingen of een keuze gaat, gebruik je verschillende vragende woorden.
  2. Welcher/welche/welches worden in genus en getal aan het zelfstandig naamwoord aangepast.
Fragewort (Vragend voornaamwoord)Verwendung (Gebruik)Beispielsatz (Voorbeeldzin)
WerFür Personen (Voor personen)Wer arbeitet als Ärztin? (Wie werkt er als arts?)
WasFür Dinge, Tiere oder abstrakte Begriffe (Voor dingen, dieren of abstracte begrippen)Was arbeitest du? (Wat voor werk doe jij?)

Welcher / Welche / Welches

Plural: Welche

Für alle Nomen (Voor alle zelfstandige naamwoorden)

Welcher Lehrer ist nett? (Welke leraar is aardig?)

Welche Frau ist deine Mutter? (Welke vrouw is jouw moeder?)

Welches Kind ist das? (Welk kind is dat?)

Uitzonderingen!

  1. "Wer" staat altijd in het enkelvoud, ook als het naar meerdere mensen verwijst: "Wer sind die?"

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. ________ arbeitet als Ingenieur in unserer Firma?

________ werkt als ingenieur in ons bedrijf?)

2. ________ Beruf haben Sie?

________ beroep heeft u?)

3. ________ studierst du an der Universität?

________ studeer je aan de universiteit?)

4. ________ Firma ist interessant für dich: die große IT-Firma oder das kleine Start-up?

________ bedrijf is voor jou interessant: het grote IT-bedrijf of de kleine startup?)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen als vragen met het juiste vraagwoord: wie, wat of welke.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (Wer) Die Frau arbeitet als Ärztin.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wer arbeitet als Ärztin?
    (Wie werkt als arts?)
  2. Hint Hint (Was) Du arbeitest als Ingenieur in Berlin.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Was bist du von Beruf in Berlin?
    (Wat ben jij van beroep in Berlijn?)
  3. Hint Hint (Welcher) Der Lehrer ist sehr nett.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Welcher Lehrer ist sehr nett?
    (Welke leraar is erg aardig?)
  4. Hint Hint (Welche) Die Frau ist deine Kollegin im Büro.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Welche Frau ist deine Kollegin im Büro?
    (Welke vrouw is jouw collega op kantoor?)
  5. Hint Hint (Welches) Das Kind ist neu in der Klasse.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Welches Kind ist neu in der Klasse?
    (Welk kind is nieuw in de klas?)
  6. Hint Hint (Wer) Die Personen dort sind deine Kollegen.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wer sind deine Kollegen dort?
    (Wie zijn daar jouw collega’s?)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Werk per twee: Stel vragen met vraagwoorden en beantwoord ze.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Sie treffen neue Leute im Deutschkurs und sprechen über Berufe und Studium.
(U ontmoet nieuwe mensen in de Duitse cursus en praat over beroepen en studie.)

Bespreek
  • Wer arbeitet als Arzt, Lehrer, Ingenieur oder Journalist in Ihrer Gruppe? (Wie werkt als arts, leraar, ingenieur of journalist in uw groep?)
  • Was studieren Sie oder was haben Sie früher gelernt? (Was lernen Sie für Ihren Beruf?) (Wat studeert u of wat heeft u vroeger gestudeerd? (Wat leert u voor uw beroep?))

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Ich arbeite als ... (Ik werk als ...)
  • Ich studiere ... / Ich habe ... studiert (Ik studeer ... / Ik heb ... gestudeerd)
  • Welcher Beruf interessiert Sie? (Welk beroep interesseert u?)

Gebruik in gesprek
  • Wer + Verb (Wer + werkwoord)
  • Was + Verb (Was + werkwoord)
  • Welcher/Welche/Welches + Nomen + Verb (Welcher/Welche/Welches + zelfstandig naamwoord + werkwoord)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 18/02/2026 16:26