A1.13: Hoe laat is het? De klok lezen.

Die Uhrzeit sagen und die Uhr lesen

Leer in deze les hoe je de Duitse tijdsaanduidingen zoals "Viertel nach drei", "halb sieben" en "fünf vor acht" correct uitspreekt en gebruikt, en oefen met zinnen om de klok te lezen en over afspraken te spreken.

Woordenschat (18)

 Die Uhr: De klok (Duits)

Die Uhr

Show

De klok Show

 Die Zeit: de tijd (Duits)

Die Zeit

Show

De tijd Show

 Die Uhrzeit: De tijd (Duits)

Die Uhrzeit

Show

De tijd Show

 Die Stunde: het uur (Duits)

Die Stunde

Show

Het uur Show

 Die Minute: de minuut (Duits)

Die Minute

Show

De minuut Show

 Die Sekunde: De seconde (Duits)

Die Sekunde

Show

De seconde Show

 Wie viel Uhr haben wir?: Hoe laat is het? (Duits)

Wie viel Uhr haben wir?

Show

Hoe laat is het? Show

 Wie spät ist es?: Hoe laat is het? (Duits)

Wie spät ist es?

Show

Hoe laat is het? Show

 Halb: half (Duits)

Halb

Show

Half Show

 Viertel: kwart (Duits)

Viertel

Show

Kwart Show

 Gestern: gisteren (Duits)

Gestern

Show

Gisteren Show

 Morgen: morgen (Duits)

Morgen

Show

Morgen Show

 Ankommen (aankomen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Ankommen

Show

Aankomen Show

 Wissen (weten) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Wissen

Show

Weten Show

 Pünktlich: op tijd (Duits)

Pünktlich

Show

Op tijd Show

 Es ist...: Het is... (Duits)

Es ist...

Show

Het is... Show

 Es ist ein Uhr.: Het is één uur. (Duits)

Es ist ein Uhr.

Show

Het is één uur. Show

 Der Moment: het moment (Duits)

Der Moment

Show

Het moment Show

Oefeningen

Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.

Oefening 1: Zinnen herschikken

Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.

Toon antwoorden
1.
jetzt? | es | Wie | Uhr | viel | ist
Wie viel Uhr ist es jetzt?
(Hoe laat is het nu?)
2.
Viertel nach | drei. Kommst | du pünktlich? | Es ist
Es ist Viertel nach drei. Kommst du pünktlich?
(Het is kwart over drie. Kom je op tijd?)
3.
fünf an. Wir | lesen. | müssen die Uhr | um acht Uhr | Der Zug kommt
Der Zug kommt um acht Uhr fünf an. Wir müssen die Uhr lesen.
(De trein komt om vijf over acht aan. We moeten de klok lezen.)
4.
es ist? | wie spät | mir sagen, | Kannst du
Kannst du mir sagen, wie spät es ist?
(Kun je me zeggen hoe laat het is?)
5.
fängt um | halb sieben | an. | Der Film
Der Film fängt um halb sieben an.
(De film begint om half zeven.)
6.
einen Moment. | fünf vor | warten noch | acht. Wir | Es ist
Es ist fünf vor acht. Wir warten noch einen Moment.
(Het is vijf voor acht. We wachten nog een moment.)

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Kom de vertalingen overeen

Es ist Viertel nach drei und ich komme gleich an. (Het is kwart over drie en ik kom zo aan.)
Wissen Sie, wie spät es ist? Ich glaube, es ist halb fünf. (Weet u hoe laat het is? Ik geloof dat het half vijf is.)
Die Uhr zeigt neun Uhr fünfundvierzig – also Viertel vor zehn. (De klok toont vijf voor tien 015 dus kwart voor tien.)
Ich bin pünktlich um zwölf Uhr am Bahnhof angekommen. (Ik ben om precies twaalf uur op het station aangekomen.)

Oefening 3: Clusteren van woorden

Instructie: Orden de woorden in twee categorieën: tijdsaanduidingen en tijdmeetapparaten.

Zeitangaben

Zeitmessgeräte

Oefening 4: Vertaal en gebruik in een zin

Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.

1

Wie viel Uhr haben wir?


Hoe laat is het?

2

Halb


Half

3

Ankommen


Aankomen

4

Es ist ein Uhr.


Het is één uur.

5

Die Uhr


De klok

Übung 5: Gespreksoefening

Anleitung:

  1. Hoe laat is het op de foto's? (Hoe laat is het op de foto's?)
  2. Hoe laat is het op dit moment? (Hoe laat is het nu?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Es ist halb 4.

Het is half 4.

Es ist vier Uhr nachmittags.

Het is vier uur in de middag.

Es ist Viertel vor zwölf.

Het is kwart voor twaalf.

Es ist zehn nach fünf.

Het is tien over vijf.

Es ist Viertel nach zehn am Morgen.

Het is kwart over tien in de ochtend.

Es ist ein Uhr nachts.

Het is één uur 's nachts.

...

Oefening 6: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 7: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Wann ___ dein Kollege zur Besprechung an?

(Wanneer ___ jouw collega naar de vergadering aan?)

2. Er ___ meistens um neun Uhr an.

(Hij ___ meestal om negen uur aan.)

3. Weißt du, wie spät ___ jetzt ist?

(Weet jij hoe laat ___ het nu is?)

4. Ich ___, dass es halb sieben ist.

(Ik ___ dat het half zeven is.)

Oefening 8: Stipt op tijd

Instructie:

Am Montag (Ankommen - Präsens) ich um neun Uhr fünfundvierzig im Büro (Ankommen - Präsens) . Ich (Wissen - Präsens) , dass der Chef pünktlich ist. Um zehn Uhr (Beginnen - Präsens) das Meeting. Mein Kollege Peter (Ankommen - Präsens) auch pünktlich. Wir (Wissen - Präsens) , dass Zeit im Beruf sehr wichtig ist.


Op maandag kom ik om negen uur vijfenveertig op kantoor aan . Ik weet , dat de baas stipt is. Om tien uur begint de vergadering. Mijn collega Peter komt ook stipt. Wij weten , dat tijd op het werk heel belangrijk is.

Werkwoordschema's

Ankommen - Aankomen

Präsens

  • ich komme an
  • du kommst an
  • er/sie/es kommt an
  • wir kommen an
  • ihr kommt an
  • sie/Sie kommen an

Wissen - Weten

Präsens

  • ich weiß
  • du weißt
  • er/sie/es weiß
  • wir wissen
  • ihr wisst
  • sie/Sie wissen

Beginnen - Beginnen

Präsens

  • ich beginne
  • du beginnst
  • er/sie/es beginnt
  • wir beginnen
  • ihr beginnt
  • sie/Sie beginnen

Oefening 9: Wie sagt man die Uhrzeit?

Instructie: Vul het juiste woord in.

Grammatica: Hoe zegt men de tijd?

Toon vertaling Toon antwoorden

zehn vor sieben, fünf nach elf, zwölf Uhr, halb zwölf, drei Uhr zehn, Viertel vor drei, sieben Uhr vierzig, halb fünf

1. 12:00 (Direkt):
Es ist ....
(Het is twaalf uur.)
2. 4:30 (Alltäglich):
Es ist ....
(Het is half vijf.)
3. 2:45 (Alltäglich):
Es ist ....
(Het is kwart voor drie.)
4. 3:10 (Direkt):
Es ist ....
(Het is tien over drie.)
5. 7:40 (Direkt):
Es ist ....
(Het is tien voor half acht.)
6. 6:50 (Alltäglich):
Es ist ....
(Het is tien voor zeven.)
7. 11:05 (Alltäglich):
Es ist ....
(Het is vijf over elf.)
8. 11:30 (Alltäglich):
Es ist ....
(Het is half twaalf.)

Grammatica

We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!

Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les

Ankommen aankomen

Präsens

Duits Nederlands
(ich) komme an ik kom aan
(du) kommst an jij komt aan
(er/sie/es) kommt an hij/zij/het komt aan
(wir) kommen an wij komen aan
(ihr) kommt an jullie komen aan
(sie) kommen an zij komen aan

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Wissen weten

Präsens

Duits Nederlands
(ich) weiß ik weet
(du) weißt jij weet
(er/sie/es) weiß hij/zij/het weet
(wir) wissen wij weten
(ihr) wisst jullie weten
(sie) wissen zij weten

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!

Wil je vandaag Duits oefenen? Dat kan! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.

Schrijf je nu in!

Tijd aangeven en klokkijken in het Duits

In deze les leer je hoe je in het Duits de tijd kunt vertellen en een klok kunt aflezen. De focus ligt op basiswoordenschat en uitdrukkingen die je dagelijks kunt gebruiken om naar de tijd te vragen, te zeggen hoe laat het is, en afspraken te maken.

Belangrijke woorden en uitdrukkingen

  • die Uhrzeit - de tijdstip
  • die Stunde - het uur
  • die Minute - de minuut
  • die Sekunde - de seconde
  • Viertel nach drei - kwart over drie
  • halb sieben - half zeven
  • fünf vor acht - vijf voor acht

Tijdsaanduidingen begrijpen en gebruiken

De Duitse tijdsaanduidingen werken met vaste uitdrukkingen zoals viertel nach (kwart over) en halb (half). Bij het zeggen van de tijd is het belangrijk te weten dat halb sieben betekent dat het half is voor zeven, dus 6:30.

Veelvoorkomende zinnen en voorbeelden

  • Wie viel Uhr ist es jetzt? (Hoe laat is het nu?)
  • Es ist Viertel nach drei. (Het is kwart over drie.)
  • Kannst du mir sagen, wie spät es ist? (Kun je me zeggen hoe laat het is?)
  • Der Zug kommt um acht Uhr fünf an. (De trein komt om vijf over acht aan.)
  • Der Film fängt um halb sieben an. (De film begint om half zeven.)
  • Es ist fünf vor acht. (Het is vijf voor acht.)

Praktische situaties

Je oefent met gesprekken om treintijden te vragen op het station, afspraken te maken tijdens werk, en de tijd te vragen in een café. Zie bijvoorbeeld de dialoog waar wordt gevraagd: Entschuldigung, wissen Sie, wann der Zug nach Berlin abfährt? en het antwoord daarop.

Werkwoorden rond tijd en aankomst

Enkele belangrijke werkwoorden in de context van tijd zijn ankommen (aankomen), wissen (weten) en beginnen (beginnen). In de tegenwoordige tijd vervoeg je deze als volgt:

  • Ich komme an
  • Du weißt
  • Er beginnt
  • Wir wissen

Verschillen tussen het Duits en Nederlands bij tijdsaanduiding

In het Duits gebruikt men uitdrukkingen als viertel nach (kwart over) en halb (half), terwijl het Nederlands diezelfde termen kent, maar half zeven betekent in beide talen hetzelfde: 6:30. Een interessant verschil is dat Duitsers vaak zeggen "Viertel vor zehn" (kwart voor tien), een constructie die in het Nederlands wordt vertaald als "kwart voor tien" zonder verandering van betekenis.

Handige Duitse woorden en hun Nederlandse equivalenten in deze context:

  • die Uhr - de klok
  • die Zeit - de tijd (stroom of moment)
  • pünktlich - op tijd/precies

Deze lessen zouden niet mogelijk zijn zonder onze geweldige partners🙏