Lerne, von 20 bis 1000000 zu zählen, indem du die Regeln für Zehner und Einer verstehst.

(Leer tellen van 20 tot 1.000.000 door de regels voor tientallen en eenheden te begrijpen.)

Getallen 21–99: eerst de eenheden, dan und, dan de tientallen

In het Duits is de volgorde anders dan in het Nederlands/Engels: je noemt eerst het laatste cijfer.

Getal Opbouw Voorbeeld (correct)
64 4 + und + 60 vierundsechzig
25 5 + und + 20 fünfundzwanzig
99 9 + und + 90 neunundneunzig
  • und staat alleen tussen eenheden en tientallen: 21–99 (behalve de “ronde” tientallen zoals 30, 40, 50…).
  • Zeg het in je hoofd alsof je een telefoonnummer terugspoelt: “vier-en-zestig”.

Spelling & uitspraak: waar het vaak misgaat

  • 30 = dreißig (met ß).
  • 40 = vierzig (geen vierzig).
  • 60 = sechzig (geen sechszig).
  • 70 = siebzig (de en valt weg: geen siebenzig).

Tip: leer deze vier als “vaste blokken”; de rest bouw je eromheen.

Let op bij getallen die eindigen op 1: ein (niet eins)

Als 1 onderdeel is van een samengesteld getal, gebruik je ein:

  • 31 = einunddreißig (niet einsunddreißig)
  • 61 = einundsechzig (niet einsundsechzig)

eins gebruik je meestal als het getal alleen staat (bijv. tellen: eins, zwei, drei).

100 en 1000: vaste woorden, geen meervoud

  • 100 = hundert
  • 200 = zweihundert
  • 1000 = tausend
  • 2000 = zweitausend

hundert en tausend blijven hetzelfde: geen hunderts, geen tausends.

201 en vergelijkbare getallen: in één woord (en zonder und)

Bij honderden + eenheden (zoals 201) staat er in A1 meestal geen und tussen.

Getal Correct Veelgemaakte fout
201 zweihunderteins zweihundertundeins
100 hundert ein hundert (in deze cursus liever: hundert)

Schrijf samengestelde getallen meestal aan elkaar: zweihunderteins, zweitausend.

Vanaf een miljoen: artikel + meervoud -en

  • 1 000 000 = eine Million
  • 2 000 000 = zwei Millionen (meervoud -en)
  • 1 000 000 000 = eine Milliarde
  • 2 000 000 000 = zwei Milliarden (meervoud -en)

Dit werkt als een normaal zelfstandig naamwoord: eine bij 1, en -en bij 2 of meer.

Zelfcheck (30 seconden): kan ik het snel goed doen?

  1. 21–99? Dan: eenheden + und + tientallen (64 → vier-und-zestig).
  2. Eindigt het op 1? Dan ein (einund… / …eins).
  3. 30/40/60/70? Check de vaste spelling: dreißig, vierzig, sechzig, siebzig.
  4. 100/1000? Blijft: hundert/tausend.
  5. Miljoen/miljard? Dan artikel en vaak -en in meervoud.
  1. Tientallen en eenheden worden met „und“ verbonden, bijv.: „einundzwanzig“, „zweiunddreißig“ .
  2. Het eenheidscijfer staat vóór het tiental: bijv. „vierundsechzig“ (64).
  3. „Hundert“ en „Tausend“ blijven altijd hetzelfde.
  4. Vanaf een miljoen heb je een lidwoord en het meervoud "-en" nodig: bijv. eine Million, zwei Millionen, eine Milliarde, zwei Milliarden.
Nummer (Nummer)Beispiel (Voorbeeld)Beispiel (Voorbeeld)
20 : Zwanzig (twintig)25: Fünfundzwanzig (vijfentwintig)100: Hundert (honderd)
30: Dreißig (dertig)34: Vierunddreißig (vierendertig)200: Zweihundert (tweehonderd)
40 : Vierzig (veertig)46: Sechsundvierzig (zesenveertig)201: Zweihunderteins (tweehonderdeen)
50 : Fünfzig (vijftig)53: Dreiundfünfzig (drieënvijftig)1 000: Tausend (duizend)
60 : Sechzig (zestig)61: Einundsechzig (eenenzestig)2 000: Zweitausend (tweeduizend)
70 : Siebzig (zeventig)77: Siebenundsiebzig (zevenenzeventig)1 000 000: Eine Million (een miljoen)
80 : Achtzig (tachtig)86: Sechsundachtzig (zesentachtig)2 000 000: Zwei Millionen (twee miljoen)
90 : Neunzig (negentig)99: Neunundneunzig (negenennegentig)1 000 000 000: Eine Milliarde (een miljard)
  2 000 000 000: Zwei Milliarden (twee miljard)

Uitzonderingen!

  1. Bij getallen met „eins“ gebruik je „ein“ : bijv. „einunddreißig“ in plaats van „einsunddreißig“

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Wie viel kostet der Kaffee? – Er kostet ____ Euro.

Hoeveel kost de koffie? – Hij kost ____ euro.

2. Meine Kollegin ist ____ Jahre alt.

Mijn collega is ____ jaar oud.

3. Die Rechnung ist ____ Euro.

De rekening is ____ euro.

4. In der Stadt wohnen ____ Menschen.

In de stad wonen ____ mensen.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen en schrijf het getal als woord (bijv. 64 → vierenzestig; 2 000 000 → twee miljoen).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Im Kurs sind 34 Teilnehmer.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Im Kurs sind vierunddreißig Teilnehmer.
    (In de cursus zijn vierendertig deelnemers.)
  2. Mein Bus kommt in 46 Minuten.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Mein Bus kommt in sechsundvierzig Minuten.
    (Mijn bus komt over zesenveertig minuten.)
  3. Das Ticket kostet 77 Euro.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Das Ticket kostet siebenundsiebzig Euro.
    (Het ticket kost zevenenzeventig euro.)
  4. Die Firma hat 201 Mitarbeiter.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Die Firma hat zweihunderteins Mitarbeiter.
    (Het bedrijf heeft tweehonderdéén medewerkers.)
  5. Ich wohne in Hausnummer 1000.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ich wohne in Hausnummer tausend.
    (Ik woon op huisnummer duizend.)
  6. In Berlin wohnen 2 000 000 Menschen.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    In Berlin wohnen zwei Millionen Menschen.
    (In Berlijn wonen twee miljoen mensen.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Voer een kort gesprek en besluit samen wat jullie kopen.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Du kaufst im Supermarkt ein und vergleichst Preise und Mengen.
(Je doet boodschappen in de supermarkt en vergelijkt prijzen en hoeveelheden.)

Bespreek
  • Welche Produkte brauchst du und wie viel kosten sie jeweils? (Welke producten heb je nodig en hoeveel kosten ze elk?)
  • Wie viele Stück nimmst du: 21, 34 oder 46? Warum? (Preis, Menge) (Hoeveel stuks neem je: 21, 34 of 46? Waarom? (prijs, hoeveelheid))

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Das kostet vierunddreißig Euro. (Dat kost vierendertig euro.)
  • Ich nehme einundzwanzig Stück. (Ik neem eenentwintig stuks.)
  • Von zwanzig bis hundert zählen. (Van twintig tot honderd tellen.)

Gebruik in gesprek
  • Zahlen mit „und“ (z. B. einundzwanzig, vierunddreißig) (Getallen met „en“ (bijv. eenentwintig, vierendertig))
  • Zehner, Hunderter und Tausender nennen (z. B. siebzig, hundert, tausend) (Tientallen, honderdtallen en duizendtallen noemen (bijv. zeventig, honderd, duizend))

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 16/04/2026 15:38