Possessiefartikelen - datief (meinem/meiner, deinem/deiner, etc.)

Possessivartikel - Dativ (meinem/meiner, deinem/deiner, etc.)


Die Possessivartikel im Dativ zeigen, wem etwas gegeben wird oder wem etwas passiert.

(De bezittelijke lidwoorden in de datief laten zien aan wie iets gegeven wordt of wie iets overkomt.)

Wat is dit? Bezittelijke lidwoorden in de datief

Je gebruikt de datief vaak bij personen die iets krijgen of waarbij je iets legt/geeft/toont/helpt.

  • geben (geven) → Ich gebe meinem Mann das Geld.
  • zeigen (laten zien) → Ich zeige dem Verkäufer meinen Ausweis.
  • helfen (helpen) → Ich helfe Ihnen mit Ihren Münzen.

In deze popup gaat het om: mijn/jouw/zijn/haar/ons/jullie/hun in de datief: meinem, deiner, seinem, ihrem, unserem, eurem, ihrem…

Stap 1: Zoek het “ontvanger”-woord (datief)

Vraag jezelf af: aan wie? / voor wie? (in de betekenis van ontvanger).

  • Ich gebe meinem Mann das Geld. → ontvanger = der Mann
  • Dann lege ich Ihnen die Rechnung dazu. → ontvanger = Sie (u)
  • Ich zeige dem Verkäufer meinen Ausweis. → ontvanger = der Verkäufer

Let op: in dit hoofdstuk kies je de vorm van het bezittelijk lidwoord op basis van het zelfstandig naamwoord in de datief (het “ontvanger”-woord), niet op basis van de bezitter.

Stap 2: Bepaal geslacht en getal van datief-woord

Je hebt maar 3 vragen nodig:

  1. Is het woord mannelijk of onzijdig? (der/das)
  2. Is het vrouwelijk? (die)
  3. Is het meervoud? (die + -n vaak bij het zelfstandig naamwoord)
Datief-woord Bezittelijk lidwoord eindigt op Voorbeeld
Maskulin / Neutrum (der/das) -em mit meinem Chef
Feminin (die) -er bei meiner Kollegin
Plural (die) -en mit meinen Freunden

Stap 3: Combineer met de juiste “bezitter” (ich/du/er/sie/wir/ihr/Sie)

De stam zegt van wie het is (mijn/jouw/…); de uitgang zegt datief + geslacht/getal.

  • ich: mein- → meinem / meiner / meinen
  • du: dein- → deinem / deiner / deinen
  • er/es: sein- → seinem / seiner / seinen
  • sie (zij): ihr- → ihrem / ihrer / ihren
  • wir: unser- → unserem / unserer / unseren
  • ihr: euer- → eurem / eurer / euren
  • Sie (u/zij): Ihr- → Ihrem / Ihrer / Ihren

Praktische tip: herken in de tabel vooral de uitgangen: -em, -er, -en.

Mini-check: “Waarom is het meinem en niet meinen?”

Omdat het datief-woord hier mannelijk/onzijdig is.

  • Ich gebe meinem Mann das Geld. (der Mann → datief: dem → uitgang -em)
  • Ich gebe meinen Mann das Geld. (dit klinkt alsof “mijn man” het directe object is)

Veelgemaakte verwarring: kijk niet naar het andere zelfstandig naamwoord

In één zin staan vaak twee naamwoorden:

  • ontvanger (datief) + ding (vaak accusatief)

Voorbeeld:

  • Ich zeige dem Verkäufer meinen Ausweis.
  • dem Verkäufer = datief (aan wie?)
  • meinen Ausweis = accusatief (wat?)

Dus: de datief-tabel in deze popup helpt je bij dem Verkäufer, niet bij meinen Ausweis.

Snel zelf controleren in 10 seconden

  1. Streep het bezittelijk woord aan: mein/dein/sein/ihr/unser/euer/Ihr.
  2. Onderstreep het datief-woord (aan wie?).
  3. Check: der/das → -em; die → -er; plural → -en.
  4. Zeg de zin hardop: meinem… / meiner… / meinen… → klinkt het logisch?

Kleine extra: meervoud in de datief

Bij meervoud komt vaak ook -n aan het zelfstandig naamwoord:

  • Ich helfe meinen Freunden. (Freunde → Freunden)

Maar: als het woord al op -n of -s eindigt, komt er meestal geen extra -n bij.

  1. Voor de vorm is alleen het object belangrijk: geslacht en aantal.
Person (Persoon)Maskulin / Neutrum (Mannelijk / onzijdig)Feminin (Vrouwelijk)Plural (Meervoud)
Ich (Ik)meinem (mijn)meiner (mijn)meinen (mijn)
Du (Jij)deinem (jouw)deiner (jouw)deinen (jouw)
Er / Es (Hij / Het)seinem (zijn)seiner (zijn)seinen (zijn)
Sie (singular) (Zij (enkelvoud))ihrem (haar)ihrer (haar)ihren (haar)
Wir (Wij)unserem (ons)unserer (ons)unseren (ons)
Ihr (Jullie)eurem (jullie)eurer (jullie)euren (jullie)
Sie (plural)ihremihrerihren

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Entschuldigung, wie viel kostet das? Ich gebe ___ Mann das Geld gleich.

Pardon, hoeveel kost dat? Ik geef ___ man het geld zo.

2. Mit Karte bitte? Dann lege ich Ihnen ___ Rechnung dazu.

Met kaart alstublieft? Dan leg ik ___ rekening erbij voor u.

3. Ich zahle bar und zeige dem Verkäufer ___ Ausweis.

Ik betaal contant en laat de verkoper ___ identiteitsbewijs zien.

4. Einen Moment: Ich helfe Ihnen mit ___ Münzen und Scheinen.

Een moment: ik help u met ___ munten en biljetten.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen en vervang het gemarkeerde bezittelijk voornaamwoord door het passende bezittelijk lidwoord in de datief (bijvoorbeeld: „für mich“ → „mir“: „Geben Sie das Buch für mich.“ → „Geben Sie das Buch meinem Bruder.“).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (meinem) Der Arzt gibt die Tabletten für mich.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Der Arzt gibt die Tabletten meinem Vater.
    (De arts geeft de tabletten aan mijn vader.)
  2. Hint Hint (deinem) Kannst du den Schlüssel für dich geben?
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Kannst du den Schlüssel deinem Nachbarn geben?
    (Kun jij de sleutel aan jouw buurman geven?)
  3. Hint Hint (seinem) Er erklärt die Aufgabe für ihn.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Er erklärt die Aufgabe seinem Kollegen.
    (Hij legt de opdracht uit aan zijn collega.)
  4. Hint Hint (ihrer) Sie bringt die Post für sie (Anna).
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Sie bringt die Post ihrer Mutter.
    (Zij brengt de post aan haar moeder.)
  5. Hint Hint (unserem) Wir schicken die E-Mail für uns.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Wir schicken die E-Mail unserem Chef.
    (Wij sturen de e-mail aan onze baas.)
  6. Hint Hint (euren) Ihr gebt die Karten für euch.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ihr gebt die Karten euren Freunden.
    (Jullie geven de kaarten aan jullie vrienden.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Voer een kort gesprek over prijzen en wie aan wie betaalt.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Im Geschäft bezahlen Sie und helfen einem Kollegen bei seiner Rechnung.
(In de winkel betaal je en help je een collega met zijn rekening.)

Bespreek
  • Welche Dinge sind teuer oder günstig und wie viel kosten sie? (Welke dingen zijn duur of goedkoop en hoeveel kosten ze?)
  • Wer zahlt mit Bargeld, wer mit Karte, und warum? (Wie betaalt contant, wie met kaart, en waarom?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Ich bezahle mit meinem Geld. (Ik betaal met mijn geld.)
  • Kannst du mit deinem Portemonnaie bezahlen? (Kun jij met jouw portemonnee betalen?)
  • Er zahlt mit seinem Bargeld; das reicht. (Hij betaalt met zijn contant geld; dat is genoeg.)

Gebruik in gesprek
  • meinem/meiner (mijn/mijne)
  • deinem/deiner (jouw/jouwe)
  • seinem/seiner (zijn/zijne)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 16/04/2026 15:50