Verbuiging van regelmatige werkwoorden (Ich kaufe, du kaufst, etc.)

Konjugation der regelmäßigen Verben (Ich kaufe, du kaufst, etc.)


Lerne wie regelmäßige Verben konjugiert werden.

(Leer hoe regelmatige werkwoorden worden vervoegd.)

Wat is de kern? Stam + uitgang (Präsens)

In het Duits krijgt het werkwoord in de tegenwoordige tijd (Präsens) een uitgang die past bij de persoon.

  • Infinitief: kaufen
  • Stam: kauf- (je haalt -en weg)
  • Uitgang: je plakt de juiste uitgang achter de stam

De uitgangen in één oogopslag

ich kaufe wir kaufen
du kaufst ihr kauft
er/sie/es kauft sie/Sie kaufen
  • 3x -t: er/sie/es en ihr
  • 2x -en: wir en sie/Sie
  • ich = -e, du = -st

Stappenplan (snelle zelfcheck)

  1. Zoek de persoon: ich / du / er-sie-es / wir / ihr / sie/Sie
  2. Vind het infinitief: (kaufen, arbeiten, heißen …)
  3. Maak de stam: haal -en weg
  4. Kies de uitgang uit de tabel
  5. Check de uitzonderingen hieronder (alleen als het werkwoord “lastig” eindigt)

Uitzondering 1: stam eindigt op -d of -t → extra -e-

Bij sommige werkwoorden is -st of -t lastig uit te spreken. Dan komt er een extra -e- tussen stam en uitgang.

  • Alleen bij: du, er/sie/es, ihr
  • Typisch bij stammen op -d of -t: arbeiten → arbeit-
du arbeitest (arbeitst)
er/sie/es arbeitet
ihr arbeitet

Let op: ich arbeite, wir arbeiten blijven gewoon volgens de standaardregel.

Uitzondering 2: stam eindigt op -s/-ß/-x/-z → bij “du” geen extra -s

Normaal is het bij du altijd -st. Maar na s/ß/x/z klinkt dat dubbel. Daarom valt de -s weg: het wordt -t.

  • heißen → Stamm: heiß-
  • du heißt (du heißst)

Tip: zie je in de stam al een s-achtig geluid? Dan bij du vaak -t i.p.v. -st.

Veelgemaakte fouten (en hoe je ze voorkomt)

  • Verkeerde stam: kaufen → kau + … (fout) → kauf- + … (goed)
  • “du” vergeten: du kaufst (niet: du kaufe)
  • Uitzondering vergeten: du arbeitest (niet: du arbeitst)
  • Uitzondering bij heißen: du heißt (niet: du heißst)

Mini-check: kun jij het zonder spieken?

Vul hardop aan. Controleer daarna: stam + juiste uitgang.

  • ich ____ (kaufen) → ich kaufe
  • du ____ (kaufen) → du kaufst
  • er ____ (arbeiten) → er arbeitet
  • ihr ____ (arbeiten) → ihr arbeitet
  • du ____ (heißen) → du heißt
  1. Om het werkwoord te vervoegen, haal je de uitgang -en van het infinitief weg en voeg je -e, -st, -t, -en, -t, -en toe voor de betreffende persoon.
ich kaufe (ik kope)wir kaufen (wij kopen)
du kaufst (jij kopt)ihr kauft (jullie kopen)
er/sie/es kauft (hij/zij/het koopt)sie kaufen (zij kopen)

Uitzonderingen!

  1. Verben auf -d oder -t (z. B. arbeiten ): → Bij „du“, „er/sie/es“ en „ihr“ wordt een -e- ingevoegd om de uitspraak te vergemakkelijken -> du arbeitest, er arbeitet, ihr arbeitet
  2. Verben auf -s, -ß, -x, -z (z. B. heißen ): → Bij „du“ valt de extra -s van de uitgang weg: du heißt (nicht heißst)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Ich ___ in Berlin und wohne mit meiner Familie hier.

Ik ___ in Berlijn en woon hier met mijn familie.

2. Du ___ heute im Büro und erzählst von deinem Bruder.

Jij ___ vandaag op kantoor en vertelt over je broer.

3. Mein Vater ___ viel und meine Mutter bleibt oft zu Hause.

Mijn vader ___ veel en mijn moeder blijft vaak thuis.

4. Du ___ Anna, oder? Bist du verheiratet?

Je ___ Anna, toch? Ben je getrouwd?

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen: Zet het werkwoord tussen haakjes in de tegenwoordige tijd en pas het aan op de persoon (bijv. ik koop, jij koopt, hij koopt, wij kopen …).

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Ich (kaufen) ein Ticket am Automaten.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ich kaufe ein Ticket am Automaten.
    (Ik koop een ticket bij de automaat.)
  2. Du (arbeiten) heute im Büro.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Du arbeitest heute im Büro.
    (Jij werkt vandaag op kantoor.)
  3. Er (kaufen) Wasser und Brot im Supermarkt.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Er kauft Wasser und Brot im Supermarkt.
    (Hij koopt water en brood in de supermarkt.)
  4. Wir (arbeiten) zusammen an dem Projekt.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Wir arbeiten zusammen an dem Projekt.
    (Wij werken samen aan het project.)
  5. Ihr (arbeiten) morgen früh.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ihr arbeitet morgen früh.
    (Jullie werken morgen vroeg.)
  6. Du (heißen) Anna.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Du heißt Anna.
    (Jij heet Anna.)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 23/04/2026 06:56