Lessen

Welkom bij de nieuwe club
Hoofdstuk: Grüße und Abschiede (Groeten en afscheid)
Module 1 (A1): Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)
Zijn naam goed zeggen
Hoofdstuk: Deinen Namen sagen (Je naam zeggen)
Module 1 (A1): Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)
Waar kom je vandaan?
Hoofdstuk: Woher kommst du? (Waar kom je vandaan?)
Module 1 (A1): Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)
Handel op de vlooienmarkt
Hoofdstuk: Zahlen und Zählen (Cijfers en tellen)
Module 1 (A1): Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)
Dit is mijn familie
Hoofdstuk: Familie (Familie)
Module 1 (A1): Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)
Het verrassingsfeest
Hoofdstuk: Sagen Sie Ihr Alter (Je leeftijd zeggen)
Module 1 (A1): Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)
Wat doet u voor werk?
Hoofdstuk: Berufe und Studium (Beroepen en studies)
Module 1 (A1): Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)
Een pakket versturen
Hoofdstuk: Adresse und Kontaktdaten (Adres en contactgegevens)
Module 1 (A1): Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)
Een week in mijn leven
Hoofdstuk: Wochentage und Tagesabschnitte (Dagen van de week en dagdelen)
Module 2 (A1): Von Stunden zu Jahreszeiten (Van uren tot seizoenen)
Hoe is het weer vandaag in Duitsland?
Hoofdstuk: Das Wetter (Het weer)
Module 2 (A1): Von Stunden zu Jahreszeiten (Van uren tot seizoenen)
Goud voor Duitsland
Hoofdstuk: Ordnungszahlen (Rangtelwoorden)
Module 2 (A1): Von Stunden zu Jahreszeiten (Van uren tot seizoenen)
De seizoenen
Hoofdstuk: Jahreszeiten, Monate und Teile des Jahres (Seizoenen, maanden en delen van het jaar)
Module 2 (A1): Von Stunden zu Jahreszeiten (Van uren tot seizoenen)
De klokverzetting
Hoofdstuk: Uhrzeit und Uhr ablesen (Hoe laat is het? De klok lezen.)
Module 2 (A1): Von Stunden zu Jahreszeiten (Van uren tot seizoenen)
Hoe vier jij kerst?
Hoofdstuk: Kalenderdaten und Feiertage (Kalenderdata en feestdagen)
Module 2 (A1): Von Stunden zu Jahreszeiten (Van uren tot seizoenen)
Hoe eet je gewoonlijk?
Hoofdstuk: Tägliches Essen (Dagelijks eten)
Module 3 (A1): Tag für Tag (Dag tot dag)
Een normale ochtend
Hoofdstuk: Tägliche Routine (Dagelijkse routines)
Module 3 (A1): Tag für Tag (Dag tot dag)
Aardappelsalade
Hoofdstuk: Kochen und Backen (Koken en bakken)
Module 3 (A1): Tag für Tag (Dag tot dag)
Waar ga je naartoe?
Hoofdstuk: Dinge fragen (Dingen vragen)
Module 3 (A1): Tag für Tag (Dag tot dag)
Hoeveel kost de stoel?
Hoofdstuk: Preise und Geld (Prijzen en geld)
Module 3 (A1): Tag für Tag (Dag tot dag)
De boodschappen
Hoofdstuk: Lebensmittel einkaufen (Boodschappen doen)
Module 3 (A1): Tag für Tag (Dag tot dag)
Een nieuwe outfit
Hoofdstuk: Im Kleidungsgeschäft (In de kledingwinkel)
Module 3 (A1): Tag für Tag (Dag tot dag)
Mobiele enkels
Hoofdstuk: Körperteile (Lichaamsdelen)
Module 3 (A1): Tag für Tag (Dag tot dag)
Ken je Tim?
Hoofdstuk: Körperliche Merkmale (Fysiek en uiterlijk)
Module 4 (A1): Objekte und Personen beschreiben (Objecten en mensen beschrijven)
Welke kleur past daarbij?
Hoofdstuk: Farben (Kleuren)
Module 4 (A1): Objekte und Personen beschreiben (Objecten en mensen beschrijven)
Waarom ben ik zo nerveus?
Hoofdstuk: Emotionen und Gefühle (Emoties en gevoelens)
Module 4 (A1): Objekte und Personen beschreiben (Objecten en mensen beschrijven)
Het bijna perfecte avondeten
Hoofdstuk: Sinne und Wahrnehmung (Zintuigen en waarnemen)
Module 4 (A1): Objekte und Personen beschreiben (Objecten en mensen beschrijven)
Welke vorm past bij mijn gezicht?
Hoofdstuk: Formen und Gestalten (Vormen en figuren)
Module 4 (A1): Objekte und Personen beschreiben (Objecten en mensen beschrijven)
De nieuwe bazin
Hoofdstuk: Charakter und Persönlichkeit (Karakter en persoonlijkheid)
Module 4 (A1): Objekte und Personen beschreiben (Objecten en mensen beschrijven)
Honger vs. trek
Hoofdstuk: Körperliche Zustände und Empfindungen (Fysieke toestanden en sensaties)
Module 4 (A1): Objekte und Personen beschreiben (Objecten en mensen beschrijven)
Verkoudheid of griep?
Hoofdstuk: Krankheit und Schmerz (Ziekte en pijn)
Module 4 (A1): Objekte und Personen beschreiben (Objecten en mensen beschrijven)
Het tinyhouse
Hoofdstuk: Unser Haus (Ons huis)
Module 5 (A1): Zu Hause (Thuis)
Een klein appartement inrichten
Hoofdstuk: Möbel (Meubilair)
Module 5 (A1): Zu Hause (Thuis)
Het avondeten
Hoofdstuk: Geschirr (Servies)
Module 5 (A1): Zu Hause (Thuis)
Wat komt er in de kelder?
Hoofdstuk: Haushaltsgeräte (Huishoudelijke apparaten)
Module 5 (A1): Zu Hause (Thuis)
Wonen is duur
Hoofdstuk: Wohnen und Unterbringung (Huisvesting en accommodatie)
Module 5 (A1): Zu Hause (Thuis)
De nieuwe tuin
Hoofdstuk: Zimmerpflanzen und Gartenpflanzen (Kamerplanten en tuinplanten)
Module 5 (A1): Zu Hause (Thuis)
Kinderen en huisdieren
Hoofdstuk: Ihre Haustiere (Jouw huisdieren)
Module 5 (A1): Zu Hause (Thuis)
De stad-app
Hoofdstuk: Tägliche Dienstleistungen (Dagelijkse diensten)
Module 6 (A1): Die Stadt und das Dorf (De stad en het dorp)
Een uitstekend diner
Hoofdstuk: Essen bestellen und auswärts essen (Eten bestellen en uit eten gaan)
Module 6 (A1): Die Stadt und das Dorf (De stad en het dorp)
Een extra eenheid
Hoofdstuk: Sport und Bewegung (Sport en beweging)
Module 6 (A1): Die Stadt und das Dorf (De stad en het dorp)
De nieuwe hobby
Hoofdstuk: Hobbys beschreiben (Hobby's beschrijven)
Module 6 (A1): Die Stadt und das Dorf (De stad en het dorp)
Openbaar vervoer
Hoofdstuk: Transportmittel (Transport)
Module 6 (A1): Die Stadt und das Dorf (De stad en het dorp)
De routebeschrijving
Hoofdstuk: Nach dem Weg fragen und ihn geben (Routebeschrijving vragen en geven)
Module 6 (A1): Die Stadt und das Dorf (De stad en het dorp)
Vrijdagavond naar de markt
Hoofdstuk: Freitagabend (Vrijdagavond uit)
Module 6 (A1): Die Stadt und das Dorf (De stad en het dorp)
De tentoonstelling
Hoofdstuk: Musik und Kunst (Muziek en kunst)
Module 6 (A1): Die Stadt und das Dorf (De stad en het dorp)