Zeitadverbien sind jetzt, heute, morgen, ...

(Tijdsbijwoorden zijn jetzt, heute, morgen, ...)

Wat zijn tijdadverbia in het Duits?

  • Tijdadverbia zeggen wanneer of hoe lang iets gebeurt.
  • In dit hoofdstuk gaat het om:
    • jetzt = nu
    • heute = vandaag
    • morgen = morgen
    • dann = dan / daarna
    • bald = binnenkort
    • wann = wanneer
    • wie lange = hoe lang
  • Belangrijk verschil:
    • jetzt, heute, morgen, dann, bald → geven informatie, geen vraag.
    • wann, wie lange → vraagwoorden.

Basisregel woordvolgorde met tijdadverbia

In een Duitse hoofdzin is de basis:

  • Positie 1: iets (tijd / ander zinsdeel)
  • Positie 2: het vervoegde werkwoord
  • Daarna: onderwerp + rest

Met tijdadverbia gebruik je meestal twee veilige patronen:

  1. Onderwerp – werkwoord – tijd
    • Ich lese jetzt ein Buch.
    • Wir gehen heute ins Kino.
    • Er arbeitet morgen im Homeoffice.
  2. Tijd – werkwoord – onderwerp
    • Heute lese ich ein Buch.
    • Morgen gehen wir ins Kino.
    • Bald macht er einen Sprachkurs.

Let op: in optie 2 staat het vervoegde werkwoord altijd op positie 2.

Waar zet ik „jetzt, heute, morgen, dann, bald”?

  • Veilige en natuurlijke plekken:
    • Na het werkwoord
    • Helemaal vooraan in de zin
Plaats Voorbeeld Vertaling (NL)
Na het werkwoord Ich lese jetzt ein Buch. Ik lees nu een boek.
Na het werkwoord Wir malen heute ein Bild. Wij schilderen vandaag een schilderij.
Vooraan Morgen gehe ich ins Kino. Morgen ga ik naar de bioscoop.
Vooraan Bald macht er wieder Fotos. Binnenkort maakt hij weer foto’s.

Typische volgorde bij twee acties achter elkaar:

  • Ich gehe einkaufen und dann koche ich.
  • Wir essen und dann sehen wir einen Film.

Vermijd op A1 ingewikkelde varianten zoals:

  • Ich lese ein Buch jetzt. (niet fout, maar minder natuurlijk voor beginners)

„Wann” en „Wie lange” in vragen

Dit zijn vraagadverbia. Ze staan altijd vooraan in de vraag.

Vraagwoord Betekenis Voorbeeld
Wann ...? op welk tijdstip / welke dag? Wann triffst du deinen Freund?
Wie lange ...? hoe lang (duur)? Wie lange spielst du schon Gitarre?

Typisch patroon voor de vraag:

  1. Wann / Wie lange
  2. Verbum (vervoegd werkwoord)
  3. Onderwerp
  4. Rest van de zin
  • Wann hast du Zeit?
  • Wie lange hörst du jeden Abend Musik?

Let op veelgemaakte fouten:

  • Du wann hast Zeit?Wann hast du Zeit?
  • Du wie lange spielst Gitarre?Wie lange spielst du Gitarre?

„Wann” of „Wie lange”? Snelkeuze

  • Vraag je naar een tijdstip, dag, kloktijd? → gebruik wann.
    • Wann beginnt der Kurs? (Om hoe laat / welke dag?)
    • Wann gehst du ins Büro?
  • Vraag je naar een duur? → gebruik wie lange.
    • Wie lange dauert der Kurs?
    • Wie lange arbeitest du heute?

Handige test:

  • Kun je in het Nederlands antwoorden met een tijdstip / dag? → „wanneer”.
  • Kun je in het Nederlands antwoorden met x uur / x dagen / sinds ...? → „hoe lang”.

„jetzt, heute, morgen, dann, bald” of „wann, wie lange”?

Veel cursisten verwarren de woorden met elkaar. Denk zo:

Functie Woorden Voorbeeld
Antwoord (informatie geven) jetzt, heute, morgen, dann, bald Ich mache morgen einen Deutschkurs.
Vraag (informatie vragen) wann, wie lange Wann machst du einen Deutschkurs?
  • Gebruik wann / wie lange niet als gewoon tijdwoord in een mededelende zin:
    • Ich arbeite wann im Büro. → fout
    • Ich arbeite heute im Büro. → goed

Stap-voor-stap: zelf een zin bouwen

  1. Kies de boodschap (wat wil je zeggen?).
    • Voorbeeld: „Ik luister vanavond naar muziek.”
  2. Zoek de Duitse woorden:
    • ik = ich
    • luisteren = hören
    • muziek = Musik
    • vanavond = heute Abend (bij A1: gebruik „heute”)
  3. Kies de structuur:
    • Onderwerp – werkwoord – tijd – rest
    • Ich höre heute Musik.
  4. Controleer het werkwoord op positie 2.
    • Ich höre heute Musik. ✔
    • Ich heute höre Musik.

Zelfcheck: begrijp je het?

  • Kun je in gedachten een zin maken met:
    • jetzt (nu)
    • heute (vandaag)
    • morgen (morgen)
    • dann (daarna)
    • bald (binnenkort)
  • Kun je twee vragen maken:
    • één met Wann ...?
    • één met Wie lange ...?
  • Kun je controleren:
    • Staat het vervoegde werkwoord op positie 2?
    • Staan Wann / Wie lange helemaal vooraan in de vraag?

Als je deze vragen met „ja” kunt beantwoorden, beheers je de basis van de Duitse tijdadverbia op A1-niveau.

  1. Tijdsbijwoorden staan na het werkwoord of aan het begin van de zin.
  2. Vraagbijwoorden zoals Wann en Wie lange staan aan het begin van de zin.
Adverb (bijwoord)Beispiel (voorbeeld)
Jetzt (nu)Ich lese jetzt ein Buch. (Ik lees nu een boek.)
Heute (vandaag)Wir malen heute ein Gemälde. (We schilderen vandaag een schilderij.)
Morgen (morgen)Ich gehe morgen ins Kino. (Ik ga morgen naar de bioscoop.)
Dann (dan)Wir hören dann Musik. (We luisteren dan naar muziek.)
BaldEr wird bald wieder fotografieren.
WannWann triffst du deinen Freund?
Wie lange (hoe lang)Wie lange spielst du schon ein Instrument? (Hoe lang speel je al een instrument?)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Wir machen ___ nach der Arbeit einen Fotokurs im Kulturzentrum.

Wir machen ___ nach der Arbeit einen Fotokurs im Kulturzentrum.)

2. Ich lese ___ ein Buch über Fotografie und trinke Kaffee.

Ich lese ___ ein Buch über Fotografie und trinke Kaffee.)

3. ___ hast du Zeit für den Zeichenkurs im Büro?

___ hast du Zeit für den Zeichenkurs im Büro?)

4. ___ hörst du schon jeden Abend nach der Arbeit Musik?

___ hörst du schon jeden Abend nach der Arbeit Musik?)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen door het passende tijdsbijwoord (nu, vandaag, morgen, dan, straks, wanneer, hoe lang) te gebruiken of op de juiste plaats in de zin te zetten. (Voorbeeld: Ich lese ein Buch. → Ich lese jetzt ein Buch.)

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (jetzt) Ich trinke einen Kaffee.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ich trinke jetzt einen Kaffee.
    (Ich trinke jetzt einen Kaffee.)
  2. Hint Hint (heute) Wir gehen ins Theater.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wir gehen heute ins Theater.
    (Wir gaan vandaag naar het theater.)
  3. Hint Hint (Wann) Du machst morgen einen Deutschkurs.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wann machst du einen Deutschkurs?
    (Wanneer volg je morgen een Duitse cursus?)
  4. Hint Hint (Wie lange) Du arbeitest in dieser Firma.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Seit wann arbeitest du in dieser Firma?
    (Sinds wanneer werk je bij dit bedrijf?)
  5. Hint Hint (dann) Ich gehe einkaufen. Ich koche.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ich gehe einkaufen und koche dann.
    (Ik ga boodschappen doen en kook daarna.)
  6. Hint Hint (Wie lange) Er sucht im Internet nach einem Deutschkurs.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wie lange sucht er schon im Internet nach einem Deutschkurs?
    (Hoe lang zoekt hij al op internet naar een Duitse cursus?)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Beschrijf en vergelijk je hobby’s: Wat doe je nu, vandaag, morgen?

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Sie planen nach der Arbeit mit einer Kollegin gemeinsame Freizeitaktivitäten.
(U plant na het werk samen met een collega gezamenlijke vrijetijdsactiviteiten.)

Bespreek
  • Was machen Sie jetzt nach der Arbeit in Ihrer Freizeit? (Wat doet u nu na het werk in uw vrije tijd?)
  • Was machen Sie heute Abend — lesen, Musik hören oder einen Film sehen? Warum?","Was machen Sie morgen mit Freunden oder Familie? Wann treffen Sie sie?","Welches Hobby möchten Sie bald beginnen? Wie lange möchten Sie es machen? (Wat doet u vanavond — lezen, naar muziek luisteren of een film kijken? Waarom?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Ich lese heute ein Buch und höre dann Musik. (Ich lese heute ein Buch und höre dann Musik.)
  • Morgen treffe ich meinen Freund und wir gehen spazieren. (Morgen treffe ich meinen Freund und wir gehen spazieren.)
  • Ich möchte bald ein Instrument lernen. Wie lange spielst du schon? (Ich möchte bald ein Instrument lernen. Wie lange spielst du schon?)

Gebruik in gesprek
  • Aussagesätze mit jetzt/heute/morgen/dann/bald (Aussagesätze met jetzt/heute/morgen/dann/bald)
  • Fragen mit Wann ...? (Fragen mit Wann ...?)
  • Fragen mit Wie lange ...? (Fragen mit Wie lange ...?)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 18/02/2026 17:23