Das Verb „gefallen“ drückt unterschiedliche Stufen des Gefallens aus.

(Het werkwoord „gefallen“ drukt verschillende gradaties van ‘leuk vinden’ uit.)

Wat is het verschil tussen mögen en gefallen?

In het Nederlands zeg je vaak: “Ik vind dit (niet) mooi/leuk.” In het Duits kun je dat op twee manieren doen:

  • Ich mag … = jouw actieve voorkeur (simpel, alledaags).
  • … gefällt mir. = “het bevalt mij / het valt bij mij in de smaak” (iets formeler, beleefder).
Nederlands idee Duits met mögen Duits met gefallen
Ik vind het T-shirt leuk. Ich mag das T-Shirt. Das T-Shirt gefällt mir.
Ik vind de schoenen niet leuk. Ich mag die Schuhe nicht. Die Schuhe gefallen mir nicht.

De kern: bij gefallen staat de persoon in de datief

De logica is omgedraaid:

  • Niet: “ik” vind iets leuk
  • Wel: “iets” bevalt mij

Daarom gebruik je datief-voornaamwoorden:

Wie? Datief bij gefallen Voorbeeld (correct)
ik mir Das Hemd gefällt mir.
jij dir Die Schuhe gefallen dir.
hij ihm Der Anzug gefällt ihm.
zij ihr Die Tasche gefällt ihr.
wij uns Die Farben gefallen uns.
jullie euch Das Logo gefällt euch.
u / jullie (formeel) ihnen Die T-Shirts gefallen Ihnen.

Valkuil: zeg niet ich gefällt of mich gefällt. Het is mir.

Waarom is gefällt/gefallen “3e persoon”?

Omdat het werkwoord past bij het ding dat bevalt (het grammaticale onderwerp), niet bij de persoon.

  • Enkelvoud (1 ding)gefällt

    Mir gefällt das gelbe T-Shirt.

  • Meervoud (meerdere dingen)gefallen

    Dir gefallen die schwarzen Schuhe.

Wat bevalt? Vorm Snelle check
das T-Shirt / der Anzug / die Tasche gefällt 1 item → singular
die Schuhe / die Taschen / die Hüte gefallen meerdere → plural

Negatie: waar zet je nicht?

In deze zinnen is het heel regelmatig:

  • Meestal: niet aan het einde (na het zelfstandig naamwoord).

Voorbeelden

  • Uns gefallen die gelben Taschen nicht.
  • Euch gefällt die graue Hose nicht.
  • Ihnen gefallen die roten Hüte nicht.

Stappenplan (zelfcontrole) voor correcte zinnen

  1. Wie? Kies het juiste datiefpronomen: mir/dir/ihm/ihr/uns/euch/ihnen.

  2. Wat? Is het 1 ding of meerdere?

  3. Kies de vorm: gefällt (enkelvoud) of gefallen (meervoud).

  4. Negatief? Zet nicht meestal aan het einde.

Mini-check: klinkt het als “X bevalt mij”?

  • Goed: Das Firmen-T-Shirt gefällt mir. (Het shirt bevalt mij.)

  • Goed: Die Stifte gefallen ihm nicht. (De pennen bevallen hem niet.)

  • Fout patroon: Ich gefalle das T-Shirt. (Hier probeer je “ik” onderwerp te maken.)

  1. Conjugatie in de derde persoon: Het werkwoord gefallen wordt altijd in de derde persoon enkelvoud of meervoud vervoegd, omdat het het onderwerp beschrijft dat iemand leuk vindt.
  2. „Gefallen“ wordt altijd gebruikt met persoonlijke voornaamwoorden in de datief: mir, dir, ihm, uns, euch, ihnen.
Ausdruck (Uitdrukking)Verb (Werkwoord)Beispiel (Voorbeeld)
Positiv (Positief)Gefallen (Bevallen)Mir gefällt das gelbe T-Shirt. (Ik vind het gele T-shirt leuk.)
Dir gefallen die schwarzen Schuhe. (Jij vindt de zwarte schoenen leuk.)
Ihm / Ihr gefällt der blaue Anzug. (Hij / Zij vindt het blauwe pak leuk.)
Negativ (Negatief)Nicht gefallen (Niet bevallen)Uns gefallen die gelben Taschen nicht. (Wij vinden de gele tassen niet leuk.)
Euch gefällt die graue Hose nicht. (Jullie vinden de grijze broek niet leuk.)
Ihnen gefallen die roten Hüte nicht.  (U vindt de rode hoeden niet leuk. )

Uitzonderingen!

  1. „Mögen“ gebruik je als je iets actief goed vindt of wilt. Ich mag den Film.
  2. „Mögen" is eerder neutraal en wordt in het dagelijks leven gebruikt, „ gefallen" is iets formeler en beleefder.
  3. „Gefallen“ beschrijft hoe iets op jou overkomt (enkelvoud en meervoud mogelijk!).

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. ___ gefällt das blaue Firmen-T-Shirt für die Messe.

___ bevalt het blauwe bedrijfsshirt voor de beurs.)

2. ___ gefallen die grauen Stifte mit dem Firmenlogo nicht.

___ bevallen de grijze pennen met het bedrijfslogo niet.)

3. ___ gefällt die rote Tasche, aber euch gefällt sie nicht.

___ bevalt de rode tas, maar jullie vinden hem niet mooi.)

4. ___ gefallen die grünen Autos nicht; sie möchten ein weißes Auto.

___ vindt u de groene auto’s niet mooi; u wilt een witte auto.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met het werkwoord „gefallen“ en de juiste datiefvoornaamwoorden (mir, dir, ihm, ihr, uns, euch, ihnen). Let op enkelvoud/meervoud van „gefällt/gefielen“.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Ich mag das gelbe T‑Shirt.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Mir gefällt das gelbe T‑Shirt.
    (Mir gefällt das gelbe T‑Shirt.)
  2. Du magst die schwarzen Schuhe.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Dir gefallen die schwarzen Schuhe.
    (Dir gefallen die schwarzen Schuhe.)
  3. Wir mögen den blauen Anzug nicht.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Uns gefällt der blaue Anzug nicht.
    (Uns gefällt der blaue Anzug nicht.)
  4. Meine Chefin mag die graue Hose nicht.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ihr gefällt die graue Hose nicht.
    (Ihr gefällt die graue Hose nicht.)
  5. Die Kollegen mögen die roten Hüte.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ihnen gefallen die roten Hüte.
    (Ihnen gefallen die roten Hüte.)
  6. Mögt ihr die gelben Taschen nicht?
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Gefallen euch die gelben Taschen nicht?
    (Gefallen euch die gelben Taschen nicht?)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Bespreek samen welke kleuren u bestelt en welke niet.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Sie planen im Büro bunte T-Shirts mit Firmenlogo für eine Messe zu bestellen.
(U gaat op kantoor kleurrijke T-shirts met het bedrijfslogo bestellen voor een beurs.)

Bespreek
  • Welche T-Shirt-Farben gefallen Ihnen für die Messe? Warum? (Welke T-shirtkleuren vindt u geschikt voor de beurs? Waarom?)
  • Welche Farben gefallen Ihnen nicht für die Arbeitskleidung? Warum nicht? (Welke kleuren vindt u niet geschikt voor de werkkleding? Waarom niet?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Mir gefällt das blaue T-Shirt. (Ik vind het blauwe T-shirt leuk.)
  • Uns gefallen die grauen T-Shirts nicht. (Wij vinden de grijze T-shirts niet leuk.)
  • Welche Farbe gefällt dir für das Logo? Blau oder Grün? (Welke kleur vind je geschikt voor het logo? Blauw of groen?)

Gebruik in gesprek
  • Mir gefällt … / Mir gefallen … (Ik vind … / Ik vind … leuk)
  • Dir gefällt … / Dir gefallen … (Jij vindt … / Jij vindt …)
  • Mir gefällt … nicht / Mir gefallen … nicht (Ik vind … niet / Ik vind … niet)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 05/03/2026 05:34