In deze les leer je het werkwoord „gefallen“ gebruiken om voorkeuren en afkeuringen uit te drukken, bijvoorbeeld: „Mir gefällt das T-Shirt“ (Ik vind het T-shirt leuk) en „Uns gefallen die Taschen nicht“ (Wij vinden de tassen niet leuk).
- Vervoeging in de derde persoon: Het werkwoord "gefallen" wordt altijd in de derde persoon enkelvoud of meervoud vervoegd, omdat het het onderwerp beschrijft dat iemand aanspreekt.
- De zin wordt gevormd met de persoonlijke voornaamwoorden in de derde naamval "mir", "dir", "ihm", "uns", "euch", "ihnen".
Ausdruck (Uitdrukking) | Verb (Vervoegen) | Beispiel (voorbeeld) |
---|---|---|
Positiv (Positief) | Gefallen | Mir gefällt das gelbe T-Shirt. |
Dir gefallen die schwarzen Schuhe. | ||
Ihm / Ihr gefällt der blaue Anzug. | ||
Negativ (Negatief) | Nicht gefallen | Uns gefallen die gelben Taschen nicht. |
Euch gefällt die graue Hose nicht. | ||
Ihnen gefallen die roten Hüte nicht. |
Oefening 1: Vorlieben und Abneigungen: Mir gefällt (nicht)...
Instructie: Vul het juiste woord in.
Mir, Dir, Ihm, Euch, gefallen, Uns, Ihnen, Ihr, gefällt
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Mir _____ das grüne Hemd sehr gut.
(Ik _____ het groene overhemd erg mooi.)2. Dir _____ die blauen Schuhe nicht.
(Jij _____ de blauwe schoenen niet mooi.)3. Ihm _____ der rote Mantel nicht.
(Hij _____ de rode jas niet mooi.)4. Uns _____ die gelben Taschen sehr gut.
(Wij _____ de gele tassen erg mooi.)5. Euch _____ die schwarze Jacke nicht.
(Jullie _____ het zwarte jack niet mooi.)6. Ihnen _____ die roten Hüte sehr gut.
(Zij _____ de rode hoeden erg mooi.)