Voorkeuren en afkeuren: Ik hou (niet) van...

Vorlieben und Abneigungen: Mir gefällt (nicht)...


Das Verb „gefallen“ drückt unterschiedliche Stufen des Gefallens aus.

(Het werkwoord „gefallen“ drukt verschillende niveaus van leuk vinden uit.)

Wat betekent gefallen precies?

Gefallen betekent: iets komt op jou prettig/leuk over.

  • Denk: het voorwerp/idee “doet iets” met jou.
  • Nederlands: “Dat staat me aan / dat bevalt me.”

Belangrijk: je zegt dus niet “ik vind… leuk” met ich, maar je gebruikt een datief-vorm: mir/dir/…

De logica: wie is “het subject” in de zin?

Bij gefallen is het ding (T-shirt, schoenen, idee) het subject.

Rol In het Duits Voorbeeld
Wie ervaart het? datief: mir/dir/ihm/ihr/uns/euch/ihnen Mir gefällt …
Wat “bevalt”? subject: het ding (en bepaalt enkelvoud/meervoud) … gefällt das T-Shirt / … gefallen die Schuhe

Stap-voor-stap: zo maak je zinnen met gefallen

  1. Kies de persoon (ik/jij/hij/wij/…)

    → zet die persoon in de datief: mir, dir, ihm, ihr, uns, euch, ihnen

  2. Kies het ding dat je leuk vindt

    → dat ding is het subject van de zin.

  3. Vervoeg gefallen in de 3e persoon (want het gaat om het ding)

    • gefällt bij enkelvoud: das T-Shirt, der Anzug, die Hose
    • gefallen bij meervoud: die Schuhe, die Taschen, die Hüte

Snelcheck: gefällt of gefallen?

Kijk niet naar mir/dir/uns, maar naar het ding erna.

Subject (het ding) Werkwoord Voorbeeld
das Hemd (enkelvoud) gefällt Mir gefällt das Hemd.
die Schuhe (meervoud) gefallen Dir gefallen die Schuhe.

Ontkenning: waar zet je nicht?

  • Meestal: niet aan het einde van de zin.

    Voorbeeld: Uns gefallen die gelben Taschen nicht.

  • Als je specifiek één ding ontkent, kun je ook preciezer zijn, maar op A1 is de eindpositie het veiligst.

Veelgemaakte fouten (en hoe je ze vermijdt)

  • 1) Verkeerde naamval

    Ich gefällt das T-Shirt.

    Mir gefällt das T-Shirt.

  • 2) Verkeerd werkwoord bij meervoud

    Dir gefällt die Schuhe.

    Dir gefallen die Schuhe.

  • 3) mich i.p.v. mir

    Mich gefällt das Hemd.

    Mir gefällt das Hemd.

Mögen of gefallen? (praktisch verschil)

  • mögen = je vindt iets (algemeen) leuk / je houdt ervan

    Ich mag den Film. (heel normaal, dagelijks)

  • gefallen = iets maakt een goede indruk op je (klinkt net iets formeler/beleefder)

    Mir gefällt der Anzug. (bv. in een winkel of op het werk)

Mini-zelfcheck (1 minuut)

  1. Heb ik de persoon in datief gezet? (mir/dir/ihm/…)

  2. Is het ding het subject?

  3. Is het ding enkelvoud → gefällt, meervoud → gefallen?

  4. Staat nicht (bij ontkenning) aan het einde?

  1. Vervoeging in de derde persoon: Het werkwoord gefallen wordt altijd in de derde persoon enkelvoud of meervoud vervoegd, omdat het het onderwerp beschrijft dat iemand leuk vindt.
  2. „Gefallen“ wordt altijd met persoonlijke voornaamwoorden in de datief gebruikt: mir, dir, ihm, uns, euch, ihnen.
Ausdruck (Uitdrukking)Verb (Werkwoord)Beispiel (Voorbeeld)
Positiv (Positief)Gefallen (Bevallen)Mir gefällt das gelbe T-Shirt. (Ik vind het gele T-shirt mooi.)
Dir gefallen die schwarzen Schuhe. (Jij vindt de zwarte schoenen mooi.)
Ihm / Ihr gefällt der blaue Anzug. (Hij / Zij vindt het blauwe pak mooi.)
Negativ (Negatief)Nicht gefallen (Niet bevallen)Uns gefallen die gelben Taschen nicht. (Wij vinden de gele tassen niet mooi.)
Euch gefällt die graue Hose nicht. (Jullie vinden de grijze broek niet mooi.)
Ihnen gefallen die roten Hüte nicht.  (U vindt de rode hoeden niet mooi.)

Uitzonderingen!

  1. „Mögen“ gebruik je als je iets actief leuk vindt of wilt. Ich mag den Film.
  2. „Mögen" is eerder neutraal en wordt in het dagelijks leven gebruikt, „ gefallen" is wat formeler en beleefder.
  3. „Gefallen“ beschrijft hoe iets op je overkomt (enkelvoud en meervoud mogelijk!).

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. ___ gefällt das blaue Hemd.

___ vind het blauwe overhemd mooi.

2. Dir ___ die roten Schuhe.

Jij ___ de rode schoenen mooi.

3. Uns ___ die graue Hose nicht.

Wij ___ de grijze broek niet mooi.

4. Ihnen ___ die gelben Taschen nicht.

U ___ de gele tassen niet mooi.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Schrijf de zinnen met „gefallen“: Zet het persoonlijk voornaamwoord in de datief (mir/dir/ihm/ihr/uns/euch/ihnen) en vervoeg „gefallen“ in de 3e persoon (gefällt/gefallen), zoals in het voorbeeld: Ich mag das Hemd. → Mir gefällt das Hemd.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Ich mag das gelbe T-Shirt.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Mir gefällt das gelbe T-Shirt.
    (Mir gefällt das gelbe T-Shirt.)
  2. Du magst die schwarzen Schuhe.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Dir gefallen die schwarzen Schuhe.
    (Dir gefallen die schwarzen Schuhe.)
  3. Er mag den blauen Anzug.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ihm gefällt der blaue Anzug.
    (Ihm gefällt der blaue Anzug.)
  4. Wir mögen die gelben Taschen nicht.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Uns gefallen die gelben Taschen nicht.
    (Uns gefallen die gelben Taschen nicht.)
  5. Ihr mögt die graue Hose nicht.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Euch gefällt die graue Hose nicht.
    (Euch gefällt die graue Hose nicht.)
  6. Sie (formell) mögen die roten Hüte nicht.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ihnen gefallen die roten Hüte nicht.
    (Ihnen gefallen die roten Hüte nicht.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Werk in tweetallen en besluit welke kleuren jullie willen bestellen.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Ihr wählt im Büro T-Shirts in passenden Farben für eine Firmenmesse aus.
(Jullie kiezen op kantoor T-shirts in passende kleuren uit voor een bedrijfsbeurs.)

Bespreek
  • Welche Farbe gefällt dir am besten und warum? (Welke kleur vind je het mooist en waarom?)
  • Welche Farben gefallen dir nicht für das Team und warum? (Welke kleuren vind je niet geschikt voor het team en waarom?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Mir gefällt Blau. (Ik vind blauw mooi.)
  • Dir gefällt das rote T‑Shirt. (Jij vindt het rode T-shirt mooi.)
  • Uns gefallen die grauen T‑Shirts nicht. (Wij vinden de grijze T-shirts niet mooi.)

Gebruik in gesprek
  • Mir gefällt ... (Ik vind ... mooi)
  • Dir gefällt ... (Jij vindt ... mooi)
  • Uns gefallen ... nicht (Wij vinden ... niet mooi)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 16/04/2026 17:37