El que, quien y cuyo se usan para hablar de personas o cosas ya mencionadas.

(El que, quien en cuyo worden gebruikt om te verwijzen naar personen of dingen die al genoemd zijn.)

1. Waar gaat dit over?

In dit onderdeel leer je drie Spaanse betrekkelijke voornaamwoorden:

  • el que / la que / los que / las que
  • quien / quienes
  • cuyo / cuya / cuyos / cuyas

Met deze woorden kun je twee zinnen samenvoegen tot één duidelijkere zin.

In het Nederlands gebruik je dan vaak: die, wie, degene die, wiens, wier.

2. Eerst kiezen: persoon, ding of bezit?

Beslis steeds eerst wat je wilt zeggen:

  • Over een persoon of ding?el que, la que, los que, las que
  • Alleen over een persoon?quien, quienes
  • Over bezit (wiens…)?cuyo, cuya, cuyos, cuyas

Daarna kies je de juiste vorm (mannelijk / vrouwelijk, enkelvoud / meervoud).

3. El que / la que / los que / las que – “degene die / diegene die”

Gebruik deze vormen om terug te verwijzen naar een persoon of ding die al genoemd is.

  • el que = de man / het ding dat / die
  • la que = de vrouw / het ding dat / die
  • los que = de mannen / de dingen die
  • las que = de vrouwen / de dingen die

Ze komen meestal na een komma.

Persoon El cuidador, el que trabaja de noche, está cansado.
De verzorger, degene die ’s nachts werkt, is moe.
Vrouwelijk La ayuda económica, la que recibe la familia, es temporal.
De financiële hulp, die het gezin krijgt, is tijdelijk.
Meervoud personen Los voluntarios, los que visitan a los mayores, son de la ONG.
De vrijwilligers, die de ouderen bezoeken, zijn van de NGO.

Let op: in neutrale, moderne spreektaal hoor je vaak gewoon que. In dit hoofdstuk oefen je bewust met de langere vormen, omdat ze handig zijn na een komma en in formelere taal.

4. Quien / quienes – alleen voor personen

Quien / quienes gebruik je alleen voor personen, nooit voor dingen.

  • quien = de persoon die (enkelvoud)
  • quienes = de personen die (meervoud)

Vaak klinkt quien / quienes formeler dan el que / la que.

Goed El psicólogo, quien colabora con servicios sociales, evalúa el caso.
De psycholoog, die samenwerkt met de sociale dienst, beoordeelt de zaak.
Meervoud Los mayores, quienes reciben asistencia, viven más tranquilos.
De ouderen, die hulp krijgen, leven rustiger.
Fout La ayuda, quien es temporal, …
Kan niet, want “la ayuda” is geen persoon.

Belangrijke regel: quien / quienes krijgen nooit een lidwoord. Zeg dus niet el quien, la quien.

5. Cuyo / cuya / cuyos / cuyas – “wiens / wier”

Cuyo en de varianten betekenen ongeveer “wiens / wier”.

  • Je geeft een relatie van bezit aan.
  • De vorm past zich aan aan het ding dat bezeten wordt, niet aan de bezitter.
cuyo El hombre, cuyo coche bloquea la calle, habla con la policía.
De man, wiens auto de straat blokkeert, praat met de politie.
cuya La familia, cuya situación es difícil, recibe apoyo.
De familie, wier situatie moeilijk is, krijgt steun.
cuyos Hablamos con unas personas, cuyos padres viven en una residencia.
We praten met mensen van wie de ouders in een verzorgingshuis wonen.
cuyas La residencia, cuyas habitaciones son muy cómodas, está completa.
Het tehuis, waarvan de kamers heel comfortabel zijn, zit vol.

Let goed op:

  • cuyo verwijst terug naar de bezitter (de persoon / het ding waar het achter staat).
  • De vorm (cuyo / cuya / cuyos / cuyas) past zich aan aan het woord erna (het bezit).
  • Nooit een lidwoord erbij: geen el cuyo, la cuya, …

6. Overzicht: kiezen tussen el que, quien en cuyo

Stap 1 Verwijs je naar een persoon, een ding of bezit?
Persoon (zonder bezit)
  • Formeel / na komma: quien / quienes
  • Neutraal: el que / la que / los que / las que
Ding el que / la que / los que / las que
Bezitsrelatie cuyo / cuya / cuyos / cuyas (+ zelfstandig naamwoord erna)

7. Typische fouten en valkuilen

  • Een persoon met “quien”, een ding niet
    La ayuda, quien es temporal, …
    Goed: La ayuda, la que es temporal, …
  • Geen lidwoord bij “quien” en “cuyo”
    El quien ayuda a mi madre…Quien ayuda a mi madre…
    La cuyo coche… → El hombre, cuyo coche
  • Congruentie bij “cuyo”
    Kijk altijd naar het zelfstandig naamwoord erna: coche → cuyo coche, padres → cuyos padres, casa → cuya casa, habitaciones → cuyas habitaciones.

8. Stap-voor-stap: twee zinnen combineren

  1. Onderstreep het woord dat je wilt herhalen (persoon, ding of bezit).
  2. Kijk: persoon / ding / bezit?
  3. Kies de juiste groep: el que – quien – cuyo.
  4. Pas de vorm aan (m/v, enk./mv.).
  5. Zet een komma vóór het betrekkelijk voornaamwoord.

Voorbeeld 1

  • Trabajo con una cuidadora. La cuidadora atiende a mi madre por las noches.
  • Herhaling: la cuidadora (vrouw, enkelvoud, persoon)
  • Mogelijke oplossing (volgens jouw boek):
    Trabajo con una cuidadora, la que atiende a mi madre por las noches.

Voorbeeld 2

  • Tengo un vecino. El coche de mi vecino siempre ocupa dos plazas.
  • Relatie: wiens auto → bezit
  • “Auto” = coche (mannelijk, enkelvoud) → cuyo coche
  • Resultaat:
    Tengo un vecino cuyo coche siempre ocupa dos plazas.

9. Zelfcheck: begrijp je het?

Beantwoord voor jezelf kort deze vragen:

  • Kun je uitleggen wanneer je quien gebruikt en wanneer la que?
  • Kun je een voorbeeld geven met cuyos (meervoud)?
  • Weet je dat quien, quienes, cuyo nooit een lidwoord krijgen?
  • Kun je vertellen dat cuyo zich aanpast aan het woord erna, niet aan de persoon ervoor?

Als je dit kunt, heb je de basis onder controle en ben je klaar om in gesprekken te oefenen.

  1. El que verwijst naar personen of dingen die al bekend zijn.
  2. Cuyo / cuya / cuyos / cuyas geven bezit aan en stemmen overeen met het bezitene.
VoornaamwoordVoorbeeld
El que / La que / Los que / Las que

El cuidador, el que atiende al anciano, trabaja de noche. (De verzorger, degene die de oudere verzorgt, werkt ’s nachts.)

La ayuda económica, la que recibe la familia, es temporal. (De financiële steun, die de familie ontvangt, is tijdelijk.)

Quien / Quienes

El psicólogo, quien colabora con servicios sociales, evalúa el caso. (De psycholoog, die samenwerkt met de sociale dienst, beoordeelt de zaak.)

Los mayores, quienes reciben asistencia, viven más tranquilos. (De ouderen, die hulp krijgen, leven rustiger.)

Cuyo / Cuya / Cuyos / Cuyas

La familia, cuya ayuda económica fue aprobada, recibe apoyo. (De familie, van wie de financiële steun is goedgekeurd, krijgt ondersteuning.)

La residencia, cuyo personal ofrece apoyo nocturno, está completa. (Het tehuis, waarvan het personeel nachtelijke ondersteuning biedt, zit vol.)

Uitzonderingen!

  1. Cuyo, quien, quienes krijgen nooit een lidwoord.
  2. Quien en quienes worden niet voor dingen gebruikt.

Oefening 1: Voornaamwoorden betrekkelijk: el que, quien, cuyo

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

la que, quien, cuyas, el que, los que, cuyo

1. Explicar:
La voluntaria, ... ayuda a la familia, llega cada mañana.
(De vrijwilligster, die de familie helpt, komt iedere ochtend.)
2. Ya mencionado:
Los usuarios ... reciben teleasistencia se sienten seguros.
(De gebruikers die telezorg ontvangen voelen zich veilig.)
3. Explicar:
El cuidador, ... atiende a personas mayores, tiene experiencia.
(De verzorger, die voor ouderen zorgt, heeft ervaring.)
4. Ya mencionado:
La ONG ... colabora con servicios sociales forma voluntarios.
(De NGO die met de sociale dienst samenwerkt, leidt vrijwilligers op.)
5. Ya mencionado:
El anciano ... vive solo recibe ayuda a domicilio.
(De oude man die alleen woont krijgt thuiszorg.)
6. Posesión:
La tutora ... funciones incluyen supervisar decide el plan.
(De mentor wiens taken onder meer toezicht houden, bepaalt het plan.)
7. Posesión:
La residencia ... personal ofrece apoyo nocturno está llena.
(Het woonzorgcentrum waarvan het personeel ’s nachts ondersteuning biedt, is vol.)
8. Ya mencionado:
El psicólogo ... supervisa el caso propone seguimiento.
(De psycholoog die de zaak begeleidt stelt vervolgonderzoek voor.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Maak van de twee zinnen één zin en herschrijf deze met het aangegeven betrekkelijk voornaamwoord tussen haakjes (el que / la que / los que / las que / quien / quienes / cuyo, cuya, cuyos, cuyas).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (la que) Trabajo con una cuidadora. La cuidadora atiende a mi madre por las noches.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Trabajo con una cuidadora, la que atiende a mi madre por las noches.
    (Ik werk met een verzorgster, die ’s nachts voor mijn moeder zorgt.)
  2. Hint Hint (quien) El médico habla con la paciente. La paciente necesita un informe para la residencia.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    El médico habla con la paciente, quien necesita un informe para la residencia.
    (De arts praat met de patiënte, die een rapport voor de woonvoorziening nodig heeft.)
  3. Hint Hint (los que) Conozco a unos voluntarios. Los voluntarios visitan a los mayores los domingos.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Conozco a unos voluntarios, los que visitan a los mayores los domingos.
    (Ik ken enkele vrijwilligers, die de ouderen op zondag bezoeken.)
  4. Hint Hint (la que) La familia recibe ayuda económica. La ayuda económica es temporal.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    La familia recibe ayuda económica, la que es temporal.
    (Het gezin krijgt financiële hulp, die tijdelijk is.)
  5. Hint Hint (cuyo) Tengo un vecino. El coche de mi vecino siempre ocupa dos plazas.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Tengo un vecino cuyo coche siempre ocupa dos plazas.
    (Ik heb een buurman wiens auto altijd twee parkeerplaatsen inneemt.)
  6. Hint Hint (cuyos) Hablamos con unas personas. Los padres de esas personas viven en una residencia.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Hablamos con unas personas cuyos padres viven en una residencia.
    (We spreken met een paar mensen van wie de ouders in een verzorgingshuis wonen.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Bespreek het met je partner en kies samen de beste zorgoptie.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Dos hermanos deciden contratar ayuda a domicilio para su padre mayor.
(Twee broers besluiten thuiszorg voor hun oudere vader in te schakelen.)

Bespreek
  • ¿Qué tipo de profesional preferís contratar y por qué? Describid a la persona que mejor encaja. (Welk type professional zouden jullie liefst aannemen en waarom? Beschrijf de persoon die het beste past.)
  • Comentad un caso real o inventado de una familia cuya situación es similar: ¿qué problemas tiene y quién la ayuda? (Bespreek een echte of verzonnen situatie van een familie met een vergelijkbare situatie: welke problemen hebben ze en wie helpt hen?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • El cuidador, el que atiende al anciano por las noches (De verzorger, degene die ’s nachts voor de oudere zorgt)
  • Los servicios sociales, quienes ofrecen ayuda económica y teleasistencia (De sociale diensten, die financiële hulp en telezorg aanbieden)
  • La familia cuya casa necesita adaptación para prevenir caídas (De familie waarvan het huis aangepast moet worden om valpartijen te voorkomen)

Gebruik in gesprek
  • el que / la que / los que / las que (degene die / degene die / degenen die / degenen die)
  • quien / quienes (wie / wie)
  • cuyo / cuya / cuyos / cuyas (wiens / wier / wiens / wiens)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Alessia Amoroso

Master in Talen, Culturen en Communicatie

Università degli Studi di Modena e Reggio Emilia

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 04/02/2026 14:46