B1.39: Huisbezichtiging

Visita de la casa

Leerás sobre la burbuja inmobiliaria de 2008 usando pronombres relativos como el que, quien y cuyo para describir situaciones y relaciones complejas en español.

Luister- en leesmateriaal

Oefen woordenschat in context met echte materialen.

Woordenschat (11)

 La oportunidad : De kans (Spaans)

La oportunidad

Show

De kans Show

 La mudanza: De verhuizing (Spaans)

La mudanza

Show

De verhuizing Show

 El dueño: De eigenaar (Spaans)

El dueño

Show

De eigenaar Show

 El portero: De conciërge (Spaans)

El portero

Show

De conciërge Show

 Luminoso: Licht (Spaans)

Luminoso

Show

Licht Show

 El bloque de pisos: Het appartementencomplex (Spaans)

El bloque de pisos

Show

Het appartementencomplex Show

 El edificio de apartamentos: Het appartementencomplex (Spaans)

El edificio de apartamentos

Show

Het appartementencomplex Show

 La zona: De zone (Spaans)

La zona

Show

De zone Show

 Las afueras: De buitenwijken (Spaans)

Las afueras

Show

De buitenwijken Show

 En el centro: In het centrum (Spaans)

En el centro

Show

In het centrum Show

 Mudarse (verhuizen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Mudarse

Show

Verhuizen Show

Oefeningen

Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.

Oefening 1: Pronombres relativos (el que, quien, cuyo)

Instructie: Vul het juiste woord in.

Grammatica: Betrekkelijke voornaamwoorden (el que, quien, cuyo)

Toon vertaling Toon antwoorden

quienes, el que, cuyo, la que, quien

1.
El casero, ... vive aquí, es muy amable.
(De huisbaas, die hier woont, is erg vriendelijk.)
2.
Los vecinos, ... son muy amables, nos ayudaron.
(De buren, die erg vriendelijk zijn, hielpen ons.)
3.
El edificio en ... viví era antiguo.
(Het gebouw waarin ik woonde was oud.)
4.
La casa, ... techo es rojo, está en venta.
(Het huis waarvan het dak rood is, staat te koop.)
5.
Busco un piso en ... pueda tener jardín.
(Ik zoek een appartement waarin ik een tuin kan hebben.)
6.
La zona en ... trabajo es muy tranquila.
(Het gebied waar ik werk is erg rustig.)
7.
La zona residencial en ... quiero vivir es muy segura.
(De woonwijk waarin ik wil wonen is erg veilig.)
8.
La persona a ... llamaste dejó un mensaje.
(De persoon die je belde heeft een bericht achtergelaten.)

Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!

Wil je vandaag Spaans oefenen? Dat is mogelijk! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.

Schrijf je nu in!

Bekijk de les over huizenbezichtigingen en relatieve voornaamwoorden

In deze les verkennen we twee centrale onderwerpen die zowel nuttig zijn voor dagelijkse gesprekken als voor verdieping in de Spaanse grammatica: huisbezichtigingen en relatieve voornaamwoorden. Dit materiaal is op B1-niveau en biedt je een kans om je Spaanse woordenschat en taalgevoel verder uit te breiden binnen een praktische context.

Huisbezichtigingen en de vastgoedmarkt

Het onderdeel "Cuando los ladrillos se caen: la burbuja inmobiliaria del 2008" behandelt de indrukwekkende Spaanse vastgoedcrisis uit 2008. Hier ontdek je hoe zulke gebeurtenissen het dagelijks leven raken en welke termen en uitdrukkingen verbonden zijn aan huizenbezichtigingen en de markt. Woorden als "la burbuja inmobiliaria" (de huizenzeepbel), "los ladrillos" (letterlijk 'bakstenen', informeel voor huizen) en "caerse" (vallen) komen aan bod. Dergelijke contexten helpen je om de Spaanse vocabulaire rondom huisvesting en economie natuurlijk te leren en te onthouden.

Relatieve voornaamwoorden in het Spaans

Een belangrijk grammaticaal thema is het gebruik van relatieve voornaamwoorden: el que, quien en cuyo. Deze woorden verbinden zinnen en geven extra informatie over personen en dingen. Bijvoorbeeld:

  • El piso que vi ayer era muy luminoso. (Het appartement dat ik gisteren zag was erg licht.)
  • La mujer quien llamó es mi vecina. (De vrouw die belde is mijn buurvrouw.)
  • La casa cuyo jardín es grande está en venta. (Het huis waarvan de tuin groot is staat te koop.)

Door deze woorden correct te gebruiken, kun je complexere en vloeiendere zinnen vormen die zowel in gesprekken als in geschreven teksten nuttig zijn.

Verschillen tussen Nederlands en Spaans

In het Nederlands gebruiken we relatieve voornaamwoorden zoals "die", "dat" en bezittelijke vormen zoals "wiens". Spaans is echter specifieker: "el que" functioneert vaak als "die/dat", "quien" verwijst meestal naar personen en "cuyo" drukt bezit of relatie uit en wijkt af van de Nederlandse structuur waarin bezitsrelaties meestal met "van" worden aangegeven.

Een voorbeeld uit het Nederlands zou zijn: "Het huis dat een grote tuin heeft." In het Spaans wordt dit: La casa que tiene un jardín grande. Voor bezit vertaalt "wiens" soms naar "cuyo", wat direct aansluit bij het bezittelijk aspect in één woord, terwijl het in het Nederlands vaak omzichtig wordt geformuleerd.

Handige Spaanse woorden en uitdrukkingen die in deze context vaak voorkomen zijn:

  • Vivienda – woning
  • Inmobiliaria – vastgoed
  • Alquiler – huur
  • Hipoteca – hypotheek
  • Buscar piso – een appartement zoeken

Deze lessen zouden niet mogelijk zijn zonder onze geweldige partners🙏