Los pronombres relativos se usan para dar más información sobre una persona o una cosa que ya conocemos o entendida por el contexto.

(Betrekkelijke voornaamwoorden worden gebruikt om extra informatie te geven over een persoon of een zaak die we al kennen of die duidelijk is uit de context.)

1. Waarom nog meer betrekkelijke voornaamwoorden?

Je kent al que en misschien cual. In deze les gaat het om:

  • el / la / los / las que
  • quien / quienes

Ze helpen je om precies te zijn en om korter te formuleren, vooral in wat formelere taal (bijvoorbeeld bij dokter / apotheek).

2. Overzicht: wanneer kies je welke vorm?

el / la / los / las que
  • voor personen én dingen
  • met of zonder voorafgaand zelfstandig naamwoord
El medicamento que tomo
El que tomo
quien / quienes
  • alleen voor personen
  • klinkt formeler
El paciente, quien llegó tarde…
Quienes no leen el prospecto…

3. Stap 1 – Eens of meervoud? Mannelijk of vrouwelijk?

el / la / los / las que passen zich altijd aan aan het ding of de persoon waarnaar ze verwijzen.

  • el que = mannelijk enkelvoud
  • la que = vrouwelijk enkelvoud
  • los que = mannelijk meervoud of gemengd
  • las que = vrouwelijk meervoud

Voorbeeld 1 – ding, vrouwelijk enkelvoud

  • La crema es muy cara. La crema necesito para mi alergia.
  • La crema que necesito es muy cara.
  • La que necesito es muy cara. (zonder zelfstandig naamwoord)

Voorbeeld 2 – personen, meervoud

  • Los pacientes no entienden la receta.
  • Los que no entienden la receta deben preguntar.

Zelfcheck

  • Wat is het woord waarnaar je verwijst? el medicamento / la crema / los pacientes…
  • Neem dezelfde m/v en ev/mv bij el / la / los / las que.

4. Stap 2 – Met of zonder zelfstandig naamwoord?

Je kunt de vormen met een zelfstandig naamwoord gebruiken of alleen laten staan, als de context duidelijk is.

  • Met zelfstandig naamwoord
    La paciente a la que atendí ayer…
  • Zonder zelfstandig naamwoord
    La que tiene alergia a la penicilina es María.
    (→ iedereen weet al dat het over la paciente gaat)

Let op

  • Zonder zelfstandig naamwoord gebruik je bijna altijd el/la/los/las que of quien/quienes, niet alleen que.
  • Que alleen gebruik je vooral met een zelfstandig naamwoord: la paciente que…

5. Stap 3 – Personen: el que of quien?

Bij personen kun je vaak kiezen tussen el/la/los/las que en quien/quienes.

  • quien / quienes = formeler, vaker in geschreven taal.
  • el / la / los / las que = neutraler / iets informeler, heel gebruikelijk in gesproken taal.

Met eerder genoemd zelfstandig naamwoord

  • El farmacéutico, quien me explicó el tratamiento, revisó la dosis.
  • El farmacéutico, el que me explicó el tratamiento, revisó la dosis.

Beide zijn grammaticaal goed. De eerste klinkt formeler.

Zonder zelfstandig naamwoord (alleen de betrekkelijke vorm)

  • Quienes tengan fiebre alta deben volver al médico.
  • Los que tengan fiebre alta deben volver al médico.

Ook hier zijn beide vormen mogelijk. In het dagelijks Spaans hoor je vaak los que.

Zelfcheck

  • Gaat het over personen? Dan zijn quien/quienes altijd goed.
  • Wil je minder formeel klinken? el/la/los/las que is vaak natuurlijker.

6. Stap 4 – Personen of dingen? (Quien kan niet alles)

Quien/quienes gebruik je alleen voor personen.

  • Goed: Quienes trabajen en la farmacia deben conocer los medicamentos.
  • Fout: Quienes no tienen receta son las pastillas caducadas.
  • Goed: Las pastillas caducadas son las que tienes que tirar.

Vuistregel

  • Ding (medicamento, crema, receta, gafas…) → el/la/los/las que
  • Persoon (paciente, médico, farmacéutica…) → el/la/los/las que of quien/quienes

7. Stap 5 – Met voorzetsel: a / con / de + el que…

Na een voorzetsel gebruik je vaak el / la / los / las que of quien/quienes (bij personen).

Typische voorzetsels

  • a (naar / aan)
  • con (met)
  • de (van / over)
  • en (in / op)

Voorbeelden met dingen

  • He perdido las gafas con las que leo por la noche.
  • No recuerdo el nombre del medicamento con el que estoy haciendo el tratamiento.

Voorbeelden met personen

  • Los pacientes a los que atiende hoy el doctor Ruiz son extranjeros.
  • Los pacientes a quienes atiende hoy el doctor Ruiz son extranjeros.

Let op

  • Soms moet het voorzetsel verplicht mee: in het Spaans kun je niet eindigen met het voorzetsel zoals in het Nederlands of Engels.
  • Niet: Las gafas que leo con ellas por la noche
  • Wel: Las gafas con las que leo por la noche

8. Vergelijk: el que / la que… en het Nederlands

In het Nederlands gebruik je vaak gewoon die / dat / wie / degene die. Spaans maakt meer onderscheid.

Nederlands Spaans
Degene die koorts heeft… El que / La que / Quien tenga fiebre…
Degenen die het bijsluiter niet lezen… Los que / Quienes no leen el prospecto…
De tabletten die verlopen zijn… Las pastillas que están caducadas…

Tip: als je in het Nederlands denkt aan degene die / degenen die, is in het Spaans vaak een vorm met el / la / los / las que of quien / quienes nodig.

9. Typische fouten van Nederlandstaligen

  • Alleen "que" gebruiken waar Spaans een lidwoord nodig heeft
    Los que no leen el prospecto tienen problemas. (eigenlijk goed!)
    Fout is eerder: Los no leen el prospecto…
    Los que no leen el prospecto…
  • "quien" gebruiken voor dingen
    El medicamento, quien es muy caro…
    El medicamento, que es muy caro… / El medicamento, el que es muy caro…
  • Voorzetsel vergeten
    Las gafas que leo por la noche
    Las gafas con las que leo por la noche

10. Snelle keuzehulp: welke vorm neem ik?

  1. Is het een persoon of een ding?
    • Dingel/la/los/las que (of gewoon que als er een zelfstandig naamwoord vóór staat).
    • Persoonel/la/los/las que of quien/quienes.
  2. Staat er een voorzetsel vóór?
    • Ja → gebruik voorzetsel + el/la/los/las que of voorzetsel + quien/quienes (bij personen).
    • Nee → meestal volstaat que; met nadruk of zonder zelfstandig naamwoord: el/la/los/las que of quien/quienes.
  3. Wil je formeler zijn?
    • Kies quien/quienes voor personen.

11. Mini-check: begrijp je het?

Kun je in je hoofd (of op papier) antwoorden op deze vragen?

  1. Hoe zeg je in het Spaans: “Degenen die allergisch zijn, moeten het de arts zeggen”?
  2. Kun je één zin maken van: “He perdido las pastillas. Con esas pastillas empiezo el tratamiento hoy.”?
  3. Waarom is quien fout in de zin “El antibiótico, quien tomo por la mañana, es muy fuerte”?

Controleer jezelf (voorbeeldantwoorden)

  • Quienes / Los que son alérgicos deben decírselo al médico.
  • He perdido las pastillas con las que empiezo el tratamiento hoy.
  • Omdat antibiótico een ding is; je moet que of el que gebruiken, niet quien.

Als je deze vragen kunt beantwoorden, heb je de kern van el/la/los/las que en quien/quienes onder controle en kun je ze in gesprekken over gezondheid en apotheek al actief gebruiken.

  1. El / La / Los / Las que komen in genus (mannelijk/vrouwelijk) en getal (enkelvoud/meervoud) overeen met de persoon of de zaak waarnaar ze verwijzen.
  2. Quien / Quienes worden uitsluitend voor personen gebruikt.
  3. Ze kunnen gebruikt worden met een uitgedrukt zelfstandig naamwoord of zonder zelfstandig naamwoord, als de context duidelijk is.
Pronombres relativosPara hablar de:Ejemplo
Sustantivo + El / La / Los / Las quePersonas o cosas ya mencionadas (Personen of dingen die al genoemd zijn)La receta médica con la que voy a la farmacia indica la dosis correcta.
El / La / Los / Las quePersonas o cosas no mencionadas, pero claras por el contexto (Personen of dingen die niet genoemd zijn, maar duidelijk zijn uit de context)El que está caducado no se puede tomar.
Sustantivo + Quien / QuienesPersonas identificadas (Geïdentificeerde personen)El farmacéutico, quien me explicó el tratamiento, revisó la dosis.
Quien / QuienesPersonas no identificadas (Niet-geïdentificeerde personen)Quienes tengan náuseas deben consultar al médico.

Uitzonderingen!

  1. Bij personen klinken quien / quienes formeler dan el / la / los / las que.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. La paciente a ___ atendí antes es la que tiene alergia a la penicilina.

De patiënte die ik eerder ___ heb geholpen, is degene die allergisch is voor penicilline.)

2. ___ tengan fiebre alta deben volver al médico y no tomar solo paracetamol.

___ hoge koorts krijgen, moeten terug naar de arts en niet alleen paracetamol nemen.)

3. Las pastillas que están caducadas son ___ tienes que tirar en la caja de reciclaje de la farmacia.

De pillen die over de datum zijn, zijn ___ je in de recyclebak van de apotheek moet weggooien.)

4. ___ estén tomando antibiótico no deben suspender el tratamiento sin consultar al médico.

___ antibiotica gebruiken, mogen de behandeling niet stoppen zonder de arts te raadplegen.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Verbind de twee zinnen en herschrijf ze tot één enkele zin met het juiste betrekkelijk voornaamwoord (die/hetgeen, wie/wie).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (que / quien) Conozco a la médica. La médica me atendió ayer.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Conozco a la médica que me atendió ayer. / Conozco a la médica, quien me atendió ayer.
    (Conozco a la médica que me atendió ayer. / Conozco a la médica, quien me atendió ayer.)
  2. He perdido las gafas. Con esas gafas leo por la noche.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    He perdido las gafas con las que leo por la noche.
    (He perdido las gafas con las que leo por la noche.)
  3. Hint Hint (a los que / a quienes) Los pacientes son extranjeros. A los pacientes atiende hoy el doctor Ruiz.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Los pacientes a los que atiende hoy el doctor Ruiz son extranjeros. / Los pacientes a quienes atiende hoy el doctor Ruiz son extranjeros.
    (Los pacientes a los que atiende hoy el doctor Ruiz son extranjeros. / Los pacientes a quienes atiende hoy el doctor Ruiz son extranjeros.)
  4. En esta farmacia trabajan tres personas. Las personas son muy amables.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    En esta farmacia trabajan tres personas que son muy amables.
    (En esta farmacia trabajan tres personas que son muy amables.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Vertel jullie ervaring in de apotheek in tweetallen en vraag om details.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
En la farmacia, explicas a un compañero el tratamiento que te han dado.
(In de apotheek leg je aan een klasgenoot uit welke behandeling je hebt gekregen.)

Bespreek
  • Describe la última vez que fuiste a la farmacia y qué te recomendaron. (Beschrijf de laatste keer dat je naar de apotheek ging en wat ze je aanraden.)
  • Compara el medicamento que te recetaron con uno de venta libre que conozcas y por qué elegiste uno u otro. ¿Quién prefiere remedios naturales y por qué? (Explicad situaciones concretas.) (Vergelijk het medicijn dat je voorgeschreven kreeg met een vrij verkrijgbaar middel dat je kent en waarom je voor het ene of het andere koos. Wie geeft de voorkeur aan natuurlijke remedies en waarom? (Geef concrete voorbeelden.))

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • El antibiótico que me recetó el médico tiene que tomarse con comida. (Het antibioticum dat de arts mij heeft voorgeschreven moet met voedsel worden ingenomen.)
  • La vacuna que ponen aquí es para quienes viajan al extranjero. (Het vaccin dat ze hier zetten is voor mensen die naar het buitenland reizen.)
  • La dosis que indica la receta es la que debo seguir. (De dosis die op het recept staat is degene die ik moet aanhouden.)

Gebruik in gesprek
  • el/la/los/las que (el/la/los/las que)
  • quien/quienes (quien/quienes)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Alessia Amoroso

Master in Talen, Culturen en Communicatie

Università degli Studi di Modena e Reggio Emilia

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 05/03/2026 18:59