Usamos que y quien para hablar de personas o cosas ya mencionadas y qué y cuál en preguntas directas o indirectas.

(We gebruiken que en quien om te praten over personen of dingen die al genoemd zijn en qué en cuál in directe of indirecte vragen.)

1. Overzicht: waar gaan que, quien, qué en cuál over?

  • que / quien = betrekkelijke voornaamwoorden ("die/dat", "wie"). Ze verbinden twee zinnen.
  • qué / cuál = vraag- en uitroepwoorden ("wat?", "welk(e)?"). Ze drukken een vraag of emotie uit.

Stel jezelf eerst altijd twee vragen:

  1. Beschrijf ik een zelfstandig naamwoord verder? → gebruik que of quien.
  2. Stel ik een vraag of doe ik een uitroep? → gebruik qué of cuál.

2. Que of quien als betrekkelijk voornaamwoord?

Je gebruikt deze als Nederlands die/dat/wie.

  • que = voor personen én dingen.
  • quien = alleen voor personen, met een voorzetsel of tussen komma’s.
Situatie Gebruik Voorbeeld
Persoon of ding zonder voorzetsel que El viaje que organizamos dura una semana.
Persoon met voorzetsel (a, con, de, en…) quien El compañero a quien llamamos viaja en familia.
Persoon, extra info tussen komma’s quien Mi jefe, quien viaja mucho, conoce muchos hoteles.

Let op bij quien:

  • Altijd met voorzetsel: a quien, con quien, de quien, para quien…
  • Of tussen komma’s: mi compañera, quien…
  • El compañero que llamamos (met voorzetsel a) → El compañero a quien llamamos.

Zelfcheck

  • Vul aan: La persona ____ conoces es guía de viajes.
    → Denk: persoon + voorzetsel (a conoces, ook al staat het niet in het Spaans uitgesproken: conocer a alguien) → a quien conoces of in informeler taalgebruik ook que conoces (maar in dit hoofdstuk ligt de focus op quien na voorzetsel).

3. Qué of cuál in vragen: wat of welk(e)?

Hier gaat het vaak fout, omdat Nederlands vaak gewoon "wat" zegt.

  • qué gebruik je als je vraagt wat iets is of om algemene informatie.
  • cuál gebruik je als je kiest uit bekende opties.
Type vraag Gebruik Voorbeeld
Algemene info: "wat? welk soort?" qué ¿Qué transporte usamos?
(Wat voor vervoer gebruiken we?)
Kiezen uit concrete opties cuál (de) ¿Cuál de estos viajes organizados contratamos?
(Welke van deze reizen boeken we?)
Indirecte vraag qué of cuál No sé qué hotel reservamos al final.
No sé cuál de estos hoteles reservamos.

Belangrijke beperking van cuál

  • cuál komt niet direct vóór een zelfstandig naamwoord.
  • Niet: ¿Cuál hotel reservamos?
  • Wel: ¿Cuál reservamos? of ¿Cuál de estos hoteles reservamos?

Snelle beslisregel

  • Moet je in het Nederlands eerder "wat voor" zeggen? → meestal qué.
  • Moet je in het Nederlands eerder "welk(e) van" zeggen? → meestal cuál (de).

Zelfcheck

  • ___ de las propuestas es más barata?
    → Je kiest uit voorstellen → ¿Cuál de las propuestas…?
  • ___ tipo de alojamiento prefieres?
    → Vraag naar soort, geen vaste lijst → ¿Qué tipo de alojamiento…?

4. Qué in uitroepen: sterke emotie

Voor uitroepen gebruik je in het Spaans in dit niveau alleen qué.

  • qué + zelfstandig naamwoord (+ bijvoeglijk naamwoord)
  • Drukt verbazing, ergernis, bewondering… uit.
Goed ¡Qué viaje tan largo hicimos!
Fout ¡Cuál viaje tan largo hicimos!

Je kunt vaak vertalen met:

  • "Wat een…" → ¡Qué…!
  • "Wat is dat …!" → ¡Qué…!

Voorbeelden:

  • ¡Qué precio tan alto tiene el billete!
    (Wat een hoge prijs heeft het kaartje!)
  • ¡Qué hotel tan cómodo!

Zelfcheck

  • Is het een uitroep met sterke emotie? → altijd qué, nooit cuál.

5. Stap-voor-stap beslisschema

  1. Verbind ik twee zinnen en beschrijf ik een woord (persoon/ding) verder?
    → Ja → ga naar stap 2.
    → Nee → ga naar stap 4.
  2. Gaat het om een persoon of een ding?
    • Ding of algemeen → gebruik que.
    • Persoon → ga naar stap 3.
  3. Staat er een voorzetsel (a, con, de, en…) direct vóór het betrekkelijk woord, of staat het stuk tussen komma’s?
    • Ja → gebruik quien.
    • Nee → gebruik meestal que.
  4. Is het een vraag of een uitroep?
    → Ja → ga naar stap 5.
    → Nee → waarschijnlijk heb je que nodig (of qué in een bijzin, maar dat zie je al in de voorbeelden).
  5. Vraag of uitroep?
    • Uitroep → altijd qué.
    • Vraag (direct of indirect) → ga naar stap 6.
  6. Vraag ik om algemene informatie of kies ik uit bekende opties?
    • Algemeen / definitie / soort → qué.
    • Kiezen uit opties → cuál of cuál de + meervoud.

6. Typische fouten van Nederlandstalige leerders

  • Te vaak "cuál" gebruiken waar Spaans "qué" wil
    • ¿Cuál transporte usamos?¿Qué transporte usamos?
    • No sé cuál hotel reservamos.No sé qué hotel reservamos.
  • "cuál" direct voor een zelfstandig naamwoord zetten
    • ¿Cuál hotel prefieres?¿Qué hotel prefieres? of ¿Cuál prefieres?
  • "quien" zonder voorzetsel gebruiken
    • El compañero quien llamamosEl compañero que llamamos of El compañero a quien llamamos.
  • "cuál" in uitroepen
    • ¡Cuál viaje tan largo!¡Qué viaje tan largo!

7. Korte samenvatting om te onthouden

  • que
    • Voor personen en dingen.
    • Zoals Nederlands: die/dat.
    • Geen verplicht voorzetsel.
  • quien
    • Alleen voor personen.
    • Met voorzetsel (a, con, de…) of tussen komma’s.
  • qué
    • Algemene vragen: wat? wat voor…?
    • Indirecte vragen: no sé qué…
    • Uitroepen: ¡Qué + zelfstandig naamwoord!
  • cuál
    • Kiezen uit bekende opties.
    • Met de + meervoud of direct voor een werkwoord.
    • Nooit direct voor een zelfstandig naamwoord in dit niveau.
    • Nooit in uitroepen.

Als je bij elke zin bewust deze keuzes maakt, zul je merken dat que, quien, qué en cuál voorspelbaar en logisch worden.

  1. Que verwijst naar dingen en personen, quien verwijst alleen naar personen.
  2. Qué wordt gebruikt om iets te vragen of uit te roepen, direct of indirect, cuál wordt gebruikt om te kiezen tussen opties die al bekend zijn.
VormCorrect voorbeeldOnjuist voorbeeld
QueEl viaje de estudios que organizamos dura una semana.El viaje de estudios quien organizamos. (De studiereis die we organiseren duurt een week.)
QuienEl compañero a quien llamamos viaja en familia. (De collega die we bellen reist met zijn gezin.)El compañero a que llamamos. (De collega die we bellen reist met zijn gezin.)
Qué (interrogativa directa)¿Qué transporte usamos para el viaje largo? (Welk vervoer gebruiken we voor de lange reis?)¿Cuál transporte usamos? (Welk vervoer gebruiken we voor de lange reis?)
Qué (interrogativa indirecta)No sé qué hotel reservamos al final. (Ik weet niet welk hotel we uiteindelijk boeken.)No sé cuál hotel reservamos al final. (Ik weet niet welk hotel we uiteindelijk boeken.)
Qué (exclamativa)¡Qué viaje tan largo hicimos! (Wat een lange reis hebben we gemaakt!)¡Cuál viaje tan largo hicimos! (Wat een lange reis hebben we gemaakt!)
Cuál¿Cuál de estos viajes organizados contratamos? (Welke van deze georganiseerde reizen boeken we?)¿Qué de estos viajes contratamos? (Welke van deze reizen boeken we?)

Uitzonderingen!

  1. Quien komt alleen voor met een voorzetsel of afgescheiden door een komma.
  2. Cuál heeft geen uitroepende functie, alleen qué wordt gebruikt in uitroepen.
  3. Cuál kan niet voor een zelfstandig naamwoord worden gebruikt. Het wordt gebruikt met de + meervoud (cuál de los hoteles reservamos) of direct met het werkwoord (cuál reservamos).

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. El hotel ___ reservamos para el viaje de estudios está al lado de la estación de tren.

Het hotel ___ we voor de studiereis hebben gereserveerd, ligt naast het treinstation.)

2. La persona a ___ debemos enviar los billetes de avión es la jefa de proyecto.

De persoon aan ___ we de vliegtickets moeten sturen, is de projectleider.)

3. ¿___ tipo de viaje preferís para el puente: uno de playa o uno de montaña?

___ type reis heeft je voorkeur voor het lange weekend: een strandvakantie of een bergvakantie?)

4. ¿___ de estos viajes organizados a Canarias quieres contratar para el fin de semana largo?

___ van deze georganiseerde reizen naar de Canarische Eilanden wil je boeken voor het lange weekend?)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen en gebruik daarbij correct que, quien, qué of cuál volgens de context ( betrekkelijke bijzin, directe/indirecte vraag of uitroep).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (que) No entiendo el motivo. Organizamos este viaje por ese motivo.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    No entiendo el motivo por el que organizamos este viaje.
    (Ik begrijp de reden niet waarom we deze reis hebben georganiseerd.)
  2. Hint Hint (quien) Hay una chica en el grupo. Con esa chica siempre hablo de los planes del viaje.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    La chica con quien siempre hablo de los planes del viaje es muy simpática.
    (Het meisje met wie ik altijd over de reisplannen praat, is erg aardig.)
  3. Hint Hint (que) Viajamos en tren. El tren sale más barato.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Viajamos en el tren que sale más barato.
    (We reizen met de trein die goedkoper vertrekt.)
  4. Hint Hint (cuál) No sabes la agencia. Con esa agencia reservamos siempre los viajes de trabajo.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    No sabes cuál es la agencia con la que reservamos siempre los viajes de trabajo.
    (Je weet niet welk bureau het is waarmee we altijd de zakenreizen boeken.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Praat en beslis samen welke reis jullie boeken en welke jullie afwijzen.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Dos compañeros organizan un viaje de larga duración para la empresa.
(Twee collega’s organiseren een meerdaagse reis voor het bedrijf.)

Bespreek
  • ¿Qué tipo de viaje preferís: de negocios, de estudios o de trabajo? ¿Por qué? (Welk type reis heeft jullie voorkeur: een zakenreis, een studiereis of een werkreis? Waarom?)
  • ¿Cuál de las opciones organizadas conviene más a la empresa y por qué? ¿Qué ventajas tiene cada una?: transporte, alojamiento, actividades, coste, seguridad, etcétera. (Welke van de georganiseerde opties is het meest geschikt voor het bedrijf en waarom? Welke voordelen heeft elk ervan: vervoer, accommodatie, activiteiten, kosten, veiligheid, enzovoort?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • ¿Cuál de estos viajes organizados contratamos para el viaje de trabajo? (Welke van deze georganiseerde reizen boeken we voor de zakenreis?)
  • No sabemos qué transporte usar para el viaje de estudios tan largo. (We weten niet welk vervoer we moeten kiezen voor zo’n lange studiereis.)
  • El compañero a quien llamamos es quien contrata el viaje organizado que incluye montaña y playa. (De collega die we bellen, is degene die de georganiseerde reis boekt die zowel bergen als strand omvat.)

Gebruik in gesprek
  • que / quien relativos (betrekkelijke voornaamwoorden: que / quien)
  • qué interrogativo y exclamativo (vraagwoord en uitroepwoord: qué)
  • cuál / cuál de + opciones (cuál / cuál de + opties)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Alessia Amoroso

Master in Talen, Culturen en Communicatie

Università degli Studi di Modena e Reggio Emilia

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 05/03/2026 12:21