De betrekkelijke voornaamwoorden: qui, que, où, dont

Les relatifs :qui, que, où, dont


Le choix du pronom relatif dépend de sa fonction dans la relative.: qui sujet, que objet, où lieu, dont avec de, lequel après préposition.

(De keuze van het betrekkelijk voornaamwoord hangt af van zijn functie in de betrekkelijke bijzin: qui onderwerp, que lijdend voorwerp, plaats, dont met de, lequel na een voorzetsel.)

Relatieve voornaamwoorden: de snelle keuze

Doel: twee zinsdelen aan elkaar plakken zonder de info te herhalen.

Ik spreek over een dossier. → Het dossier waarover ik spreek.

Wat vervang je in de bijzin? Frans Snelle check
Onderwerp (doet de actie) qui Kun je antwoorden met: “hij/zij/het …”? → qui
Lijdend voorwerp (krijgt de actie) que Kun je antwoorden met: “ik … hem/haar/het”? → que
Plaats of tijd Kun je “in/naar/uit/op…” erbij denken? → vaak
Aanvulling met de dont Staat er in de basiszin “de …”? → dont
Aanvulling met andere voorzetsels (à, pour, avec, sur…) préposition + lequel Voorzetsel blijft staan + lequel-reeks

Stap-voor-stap: zo kies je het juiste woord

  1. Neem eerst de “basiszin” terug (zonder relatief pronomen).

    J’ai parlé de ce suspect.

  2. Markeer het vaste voorzetsel dat bij het werkwoord/uitdrukking hoort.

    parler de, s’occuper de, se souvenir de

  3. Kies het pronomen:

    • dedont

    • ander voorzetsel → préposition + lequel

    • geen voorzetsel: onderwerp → qui, lijdend voorwerp → que

    • plaats/tijd →

Qui of que: de meest gemaakte fout (en de snelle test)

  • qui = onderwerp in de bijzin.

    Le suspect qui répond vite. (Wie antwoordt? le suspect)

  • que = lijdend voorwerp in de bijzin.

    La preuve que l’avocat présente. (Wat presenteert hij? la preuve)

Mini-check: staat het werkwoord direct na het pronomen en is het pronomen de “doener”? → qui. Anders vaak que.

Où: niet alleen ‘waar’, ook met voorzetsels

  • gebruik je voor plaats én tijd.

    Le tribunal il comparaît.

    Le jour il a été interrogé.

  • kan ook na een voorzetsel (formeler/precies):

    Le quartier vers où nous nous sommes dirigés.

  • Equivalent (vaak nuttig om te herkennen):

    La ville où j’habite = La ville dans laquelle j’habite

Dont: denk ‘de + …’ (maar let op: niet bij ‘à partir de’)

  • dont vervangt de + persoon/zaak.

    Le témoignage dont elle parle.elle parle de ce témoignage

  • Veelvoorkomende werkwoorden met de (handig om te automatiseren):

    parler de, dépendre de, se souvenir de, avoir besoin de, s’occuper de

  • Speciale betekenis: “waarvan/waaronder” bij een opsomming.

    Trois témoins, dont deux présents.

  • Uitzondering: bij préposition + de gebruik je duquel/de laquelle/desquels/desquelles, niet dont.

    L’exemple à partir dont tu raisonnes…

    L’exemple à partir duquel tu raisonnes est excellent.

Préposition + lequel: wanneer je géén ‘de’ hebt

Als de basiszin een ander voorzetsel heeft dan de, blijft dat voorzetsel staan:

L’entreprise pour laquelle tu travailles.tu travailles pour cette entreprise

Voorzetsel mannelijk vrouwelijk meervoud
pour / avec / sur / dans… lequel laquelle lesquels / lesquelles
à + lequel-reeks auquel à laquelle auxquels / auxquelles
de + lequel-reeks duquel de laquelle desquels / desquelles

Let op: à + lequel trekt samen → auquel/auxquels. Dat is puur vorm, geen betekenisverschil.

À qui en ce à quoi: twee nuttige cases

  • à qui gebruik je vooral voor personen (zeker in spreektaal):

    L’homme à qui elle s’adresse. (= à lequel kan niet voor personen)

  • ce à quoi = “datgene waar(aan)…” (geen concreet zelfstandig naamwoord vooraf).

    Je comprends ce à quoi tu fais allusion.

Lequel i.p.v. qui: alleen om verwarring te vermijden

Soms staan er twee mogelijke antecedenten. Dan is lequel extra duidelijk (formeler):

J’ai rencontré ma voisine et son fils, lequel m’a donné sa carte de visite.

Betekenis: lequel verwijst hier naar son fils, niet naar ma voisine.

Zelfcheck: 6 vragen die je altijd kunt stellen

  • 1) Wat is het antecedent (het woord vóór de bijzin)?

  • 2) Welke “basiszin” zit erachter (zonder relatief pronomen)?

  • 3) Staat er een vast voorzetsel bij het werkwoord? (de / à / pour / sur…)

  • 4) Zo ja: de → dont; ander voorzetsel → préposition + lequel.

  • 5) Zo nee: is het antecedent onderwerp → qui; lijdend voorwerp → que.

  • 6) Gaat het om plaats/tijd → .

  1. Onderwerp → qui
  2. Naamwoordelijk deel van het gezegde (attribut) → que
  3. où → plaats of tijd
  4. Aanvulling ingeleid door de → dont
  5. kan voorafgegaan worden door een voorzetsel (de, jusque, par, vers): "Le quartier vers où nous avons été cambriolés était dangereux."
  6. Aanvulling ingeleid door een ander voorzetsel dan de → voorzetsel + lequel : "Je ne connais pas l’entreprise pour laquelle tu travailles."
  7. Je kunt lequel, laquelle, lesquels, lesquelles gebruiken in plaats van qui om verwarring te vermijden of preciezer te zijn: J’ai rencontré ma voisine et son fils, lequel m’a donné sa carte de visite.
Relatif (Betrekkelijk voornaamwoord)Exemple (Voorbeeld)
Qui (die/dat)Le suspect qui répond vite. (De verdachte die snel antwoordt.)
Que (die/dat)La preuve que l'avocat présente. (Het bewijs dat de advocaat presenteert.)
(waar)Le tribunal où il comparaît. (De rechtbank waar hij verschijnt.)
Dont (waarvan/van wie)

Le témoignage dont elle parle. (De getuigenis waarover ze spreekt.)

Trois témoins, dont deux présents. (Drie getuigen, waarvan er twee aanwezig zijn.)

Pour laquelle (waarvoor)L'enquête pour laquelle il travaille. (Het onderzoek waarvoor hij werkt.)
Auquel (waaraan)Le verdict auquel il pense. (Het vonnis waaraan hij denkt.)
Duquel (van wie/waarvan)Le dossier à partir duquel il raisonne. (Het dossier van waaruit hij redeneert.)
À qui (aan wie)L'homme à qui elle s'adresse. (De man tot wie ze zich richt.)
Quoi (wat)Ce à quoi il pense. (Datgene waar hij aan denkt.)

Uitzonderingen!

  1. Wanneer een aanvulling begint met een voorzetsel + de, gebruik je duquel, de laquelle, desquels, desquelles en niet dont: "L’exemple à partir duquel tu raisonnes est excellent."
  2. Lequel, lesquels et lesquelles trekken samen tot auquel, auxquels et auxquelles wanneer ze voorafgegaan worden door het voorzetsel à.
  3. Als het niet voorafgegaan wordt door een voorzetsel, is het betrekkelijk voornaamwoord gelijkwaardig aan een constructie met lequel: C’est la ville où j’habite → C’est la ville dans laquelle j’habite.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. La personne ____ a signalé le cambriolage a reconnu le suspect lors de la comparution.

De persoon ____ de inbraak heeft gemeld, heeft de verdachte herkend tijdens de zitting.

2. Voici la preuve ____ le procureur a présentée pendant l’audience.

Hier is het bewijs ____ de aanklager tijdens de zitting heeft gepresenteerd.

3. Je me souviens très bien du café ____ j’ai attendu la police après l’arrestation.

Ik herinner me heel goed het café ____ ik na de arrestatie op de politie heb gewacht.

4. C’est une affaire à partir ____ l’inspecteur a élargi l’enquête.

Het is een zaak van waaruit ____ de inspecteur het onderzoek heeft uitgebreid.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf elk paar zinnen tot één zin door de twee zinsdelen te verbinden met het passende betrekkelijk voornaamwoord (qui, que, où, dont, voorzetsel + lequel, duquel, à partir duquel).

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. J’ai un collègue. Il travaille pour une agence internationale.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    J’ai un collègue qui travaille pour une agence internationale.
    (Ik heb een collega die voor een internationaal agentschap werkt.)
  2. Nous avons relu le rapport. La directrice a validé le rapport hier soir.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Nous avons relu le rapport que la directrice a validé hier soir.
    (We hebben het rapport herlezen dat de directrice gisteravond heeft goedgekeurd.)
  3. C’est le bureau. Nous nous sommes rencontrés dans ce bureau lors de mon entretien.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    C’est le bureau où nous nous sommes rencontrés lors de mon entretien.
    (Dit is het kantoor waar we elkaar tijdens mijn sollicitatiegesprek hebben ontmoet.)
  4. Je te parle d’un client. Je m’occupe de ce client depuis janvier.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Je te parle d’un client dont je m’occupe depuis janvier.
    (Ik vertel je over een klant voor wie ik sinds januari zorg.)

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste zin.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1.
Onjuist - het werkwoord «parler» wordt met «de» gebruikt; je hebt «dont» nodig, niet «que».
2.
Onjuist - «que» zou een lijdend voorwerp zijn; hier duid je een plaats aan, je hebt «où» nodig.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Marco De Faria

Master in Vreemde Talen

University of Poitiers

University_Logo

Frankrijk


Laatst bijgewerkt:

vrijdag, 10/07/2026 09:58