Le choix du pronom relatif dépend de sa fonction dans la relative.: qui sujet, que objet, où lieu, dont avec de, lequel après préposition.
(De keuze van het betrekkelijk voornaamwoord hangt af van zijn functie in de betrekkelijke bijzin:
- Onderwerp → qui
- Naamwoordelijk deel van het gezegde (attribut) → que
- où → plaats of tijd
- Aanvulling ingeleid door de → dont
Où kan voorafgegaan worden door een voorzetsel (de, jusque, par, vers): "Le quartier vers où nous avons été cambriolés était dangereux." - Aanvulling ingeleid door een ander voorzetsel dan de → voorzetsel + lequel : "Je ne connais pas l’entreprise pour laquelle tu travailles."
- Je kunt lequel, laquelle, lesquels, lesquelles gebruiken in plaats van qui om verwarring te vermijden of preciezer te zijn:
J’ai rencontré ma voisine et son fils, lequel m’a donné sa carte de visite.
| Relatif (Betrekkelijk voornaamwoord) | Exemple (Voorbeeld) |
|---|---|
| Qui (die/dat) | Le suspect qui répond vite. (De verdachte die snel antwoordt.) |
| Que (die/dat) | La preuve que l'avocat présente. (Het bewijs dat de advocaat presenteert.) |
| Où (waar) | Le tribunal où il comparaît. (De rechtbank waar hij verschijnt.) |
| Dont (waarvan/van wie) | Le témoignage dont elle parle. (De getuigenis waarover ze spreekt.) Trois témoins, dont deux présents. (Drie getuigen, waarvan er twee aanwezig zijn.) |
| Pour laquelle (waarvoor) | L'enquête pour laquelle il travaille. (Het onderzoek waarvoor hij werkt.) |
| Auquel (waaraan) | Le verdict auquel il pense. (Het vonnis waaraan hij denkt.) |
| Duquel (van wie/waarvan) | Le dossier à partir duquel il raisonne. (Het dossier van waaruit hij redeneert.) |
| À qui (aan wie) | L'homme à qui elle s'adresse. (De man tot wie ze zich richt.) |
| Quoi (wat) | Ce à quoi il pense. (Datgene waar hij aan denkt.) |
Uitzonderingen!
- Wanneer een aanvulling begint met een voorzetsel + de, gebruik je duquel, de laquelle, desquels, desquelles en niet dont:
"L’exemple à partir duquel tu raisonnes est excellent." Lequel, lesquels et lesquelles trekken samen tot auquel, auxquels et auxquelles wanneer ze voorafgegaan worden door het voorzetsel à. - Als het niet voorafgegaan wordt door een voorzetsel, is het betrekkelijk voornaamwoord
où gelijkwaardig aan een constructie met lequel : C’est la ville où j’habite → C’est la ville dans laquelle j’habite.
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. La personne ____ a signalé le cambriolage a reconnu le suspect lors de la comparution.
De persoon ____ de inbraak heeft gemeld, heeft de verdachte herkend tijdens de zitting.2. Voici la preuve ____ le procureur a présentée pendant l’audience.
Hier is het bewijs ____ de aanklager tijdens de zitting heeft gepresenteerd.3. Je me souviens très bien du café ____ j’ai attendu la police après l’arrestation.
Ik herinner me heel goed het café ____ ik na de arrestatie op de politie heb gewacht.4. C’est une affaire à partir ____ l’inspecteur a élargi l’enquête.
Het is een zaak van waaruit ____ de inspecteur het onderzoek heeft uitgebreid.Oefening 2: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf elk paar zinnen tot één zin door de twee zinsdelen te verbinden met het passende betrekkelijk voornaamwoord (qui, que, où, dont, voorzetsel + lequel, duquel, à partir duquel).
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints-
J’ai un collègue. Il travaille pour une agence internationale.⇒ ____________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldJ’ai un collègue qui travaille pour une agence internationale.(Ik heb een collega die voor een internationaal agentschap werkt.)
-
Nous avons relu le rapport. La directrice a validé le rapport hier soir.⇒ ____________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldNous avons relu le rapport que la directrice a validé hier soir.(We hebben het rapport herlezen dat de directrice gisteravond heeft goedgekeurd.)
-
C’est le bureau. Nous nous sommes rencontrés dans ce bureau lors de mon entretien.⇒ ____________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldC’est le bureau où nous nous sommes rencontrés lors de mon entretien.(Dit is het kantoor waar we elkaar tijdens mijn sollicitatiegesprek hebben ontmoet.)
-
Je te parle d’un client. Je m’occupe de ce client depuis janvier.⇒ ____________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldJe te parle d’un client dont je m’occupe depuis janvier.(Ik vertel je over een klant voor wie ik sinds januari zorg.)
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste zin.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.