B1.20 - Na farmácia
B1.20 - Na farmácia

B1.20 - Na farmácia - Vocabulário

Bij de apotheek


Vocabulário (19)

De apotheek Mostrar

A farmácia Mostrar

De apotheker Mostrar

O farmacêutico Mostrar

Het doktersvoorschrift Mostrar

A receita médica Mostrar

De drug Mostrar

A droga Mostrar

Het vaccin Mostrar

A vacina Mostrar

De antibiotica Mostrar

Os antibióticos Mostrar

De hoofdpijn Mostrar

A dor de cabeça Mostrar

De koorts meten Mostrar

Medir a febre Mostrar

Zich misselijk voelen Mostrar

Sentir-se enjoado Mostrar

Zich beter voelen Mostrar

Sentir-se melhor Mostrar

De symptomen verlichten Mostrar

Aliviar os sintomas Mostrar

Genezen Mostrar

Curar Mostrar

Behandelen Mostrar

Tratar Mostrar

Met medicijnen behandelen Mostrar

Tratar com medicamentos Mostrar

Innemen Mostrar

Tomar (medicação) Mostrar

Aanbrengen (van) Mostrar

Aplicar (de) Mostrar

Afhelpen van Mostrar

Aliviar Mostrar

Verkouden worden Mostrar

Pegar um resfriado Mostrar

Langer dan nodig gebruiken Mostrar

Usar por mais tempo do que o necessário Mostrar

Nemen (nemen)

Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)


(ik) heb genomen
(jij/je) hebt genomen
(hij/zij/ze/het) heeft genomen
(wij/we) hebben genomen
(jullie) hebben genomen
(zij/ze) hebben genomen

Zich beter voelen (sentir‑se melhor)

Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)


(ik) heb me beter gevoeld
(jij/je) hebt je beter gevoeld
(hij/zij/ze/het) heeft zich beter gevoeld
(wij/we) hebben ons beter gevoeld
(jullie) hebben jullie beter gevoeld
(zij/ze) hebben zich beter gevoeld

Genezen (curar)

Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)


(ik) heb genezen
(jij/je) hebt genezen
(hij/zij/ze/het) heeft genezen
(wij/we) hebben genezen
(jullie) hebben genezen
(zij/ze) hebben genezen