Vocabulaire (19)

De apotheek Montrer

La pharmacie Montrer

De apotheker Montrer

Le pharmacien Montrer

Het doktersvoorschrift Montrer

L'ordonnance Montrer

De drug Montrer

Le médicament Montrer

Het vaccin Montrer

Le vaccin Montrer

De antibiotica Montrer

Les antibiotiques Montrer

De hoofdpijn Montrer

Le mal de tête Montrer

De koorts meten Montrer

Mesurer la fièvre Montrer

De symptomen verlichten Montrer

Soulager les symptômes Montrer

Zich misselijk voelen Montrer

Se sentir nauséeux Montrer

Zich beter voelen Montrer

Se sentir mieux Montrer

Verkouden worden Montrer

Attraper un rhume Montrer

Genezen Montrer

Guérir Montrer

Behandelen Montrer

Traiter Montrer

Met medicijnen behandelen Montrer

Traiter avec des médicaments Montrer

Afhelpen van Montrer

Remédier à Montrer

Innemen Montrer

Prendre (un médicament) Montrer

Aanbrengen (van) Montrer

Appliquer (sur) Montrer

Langer dan nodig gebruiken Montrer

Utiliser plus longtemps que nécessaire Montrer

Zich beter voelen (se sentir mieux)

Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)


(ik) heb me beter gevoeld
(jij/je) hebt je beter gevoeld
(hij/zij/ze/het) heeft zich beter gevoeld
(wij/we) hebben ons beter gevoeld
(jullie) hebben jullie beter gevoeld
(zij/ze) hebben zich beter gevoeld

Genezen (guérir)

Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)


(ik) heb genezen
(jij/je) hebt genezen
(hij/zij/ze/het) heeft genezen
(wij/we) hebben genezen
(jullie) hebben genezen
(zij/ze) hebben genezen