B1.29 - O seu contrato de trabalho
B1.29 - O seu contrato de trabalho

B1.29 - O seu contrato de trabalho - Vocabulário

Je arbeidsovereenkomst


Vocabulário (25)

Het loon Mostrar

O salário Mostrar

Loonsverhoging Mostrar

Aumento salarial Mostrar

De werknemer Mostrar

O empregado Mostrar

Het ontslag op staande voet Mostrar

Demissão sumária Mostrar

Ontslag nemen Mostrar

Pedir demissão Mostrar

De werkloosheidsuitkering Mostrar

O subsídio de desemprego Mostrar

Een vast contract aanbieden Mostrar

Oferecer um contrato permanente Mostrar

Het contract beëindigen Mostrar

Encerrar o contrato Mostrar

Arbeidsvoorwaarden onderhandelen Mostrar

Negociar as condições de trabalho Mostrar

Flexibele werktijden Mostrar

Horário de trabalho flexível Mostrar

Doorstroommogelijkheden Mostrar

Oportunidades de progressão Mostrar

Bedrijfsopleiding Mostrar

Formação empresarial Mostrar

Aan de slag gaan bij/met Mostrar

Começar a trabalhar em/com Mostrar

Zich houden aan Mostrar

Cumprir Mostrar

Afwijken van Mostrar

Divergir de Mostrar

Instaan voor Mostrar

Responsabilizar-se por Mostrar

Zich onttrekken aan Mostrar

Evitar Mostrar

Zich bedienen van Mostrar

Recorrer a Mostrar

Vrijstellen van Mostrar

Isentar de Mostrar

Instaan voor Mostrar

Responsabilizar-se por Mostrar

Bespreken Mostrar

Discutir Mostrar

Staan op Mostrar

Insistir em Mostrar

Ontheffen van Mostrar

Isentar de Mostrar

Zich houden aan Mostrar

Cumprir Mostrar

Staken Mostrar

Entrar em greve Mostrar

Gaan (ir)

Conditionele Verleden Tijd (CVT)


(ik) zou gegaan zijn
(jij/je) zou gegaan zijn
(hij/zij/ze/het) zou gegaan zijn
(wij/we) zouden gegaan zijn
(jullie) zouden gegaan zijn
(zij/ze) zouden gegaan zijn

Ontslag nemen (demitir-se)

Conditionele Verleden Tijd (CVT)


(ik) zou ontslag genomen hebben
(jij/je) zou ontslag genomen hebben
(hij/zij/ze/het) zou ontslag genomen hebben
(wij/we) zouden ontslag genomen hebben
(jullie) zouden ontslag genomen hebben
(zij/ze) zouden ontslag genomen hebben

Bespreken (discutir)

Conditionele Verleden Tijd (CVT)


(ik) zou besproken hebben
(jij/je) zou besproken hebben
(hij/zij/ze/het) zou besproken hebben
(wij/we) zouden besproken hebben
(jullie) zouden besproken hebben
(zij/ze) zouden besproken hebben