Wortschatz (19)
Zich beter voelen (sich besser fühlen)
Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)
| (ik) heb me beter gevoeld |
| (jij/je) hebt je beter gevoeld |
| (hij/zij/ze/het) heeft zich beter gevoeld |
| (wij/we) hebben ons beter gevoeld |
| (jullie) hebben jullie beter gevoeld |
| (zij/ze) hebben zich beter gevoeld |
Genezen (heilen)
Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)
| (ik) heb genezen |
| (jij/je) hebt genezen |
| (hij/zij/ze/het) heeft genezen |
| (wij/we) hebben genezen |
| (jullie) hebben genezen |
| (zij/ze) hebben genezen |