El atributo es la parte de la frase que dice qué es o cómo es algo.

(Het naamwoordelijk deel van het gezegde is het zinsdeel dat zegt wat iets is of hoe iets is.)

1. Wat doet lo in deze zinnen?

  • lo vervangt een eigenschap of toestand die eerder genoemd is.
  • Je voorkomt herhaling, net als in het Nederlands:
    • El viaje es largo. ⇒ Lo es. (= De reis is lang. ⇒ Dat is hij.)
    • El vuelo está retrasado. ⇒ Lo está. (= De vlucht is vertraagd. ⇒ Dat is zo.)
  • lo heeft geen geslacht en geen meervoud:
    • el viaje es largo ⇒ lo es
    • la carretera es peligrosa ⇒ lo es
    • los vuelos son caros ⇒ lo son
    • las habitaciones son pequeñas ⇒ lo son

Belangrijk: dit lo is geen gewoon lijdend-voorwerppronomen, maar een neutraal voornaamwoord dat een eigenschap / toestand vervangt.

2. Wanneer gebruik je lo + ser en lo + estar?

  • lo + ser = een eigenschap (kenmerk) herhalen
    • El viaje es caro. ⇒ Lo es. (= Hij is duur.)
    • La estación es grande. ⇒ Lo es. (= Hij is groot.)
  • lo + estar = een toestand (iets tijdelijks) herhalen
    • El vuelo está lleno. ⇒ Lo está. (= Hij zit vol.)
    • La carretera está cortada. ⇒ Lo está. (= Hij is afgesloten.)
Vraag Antwoord met lo Waarom?
¿Es caro el billete? Sí, lo es. Eigenschap (caro) ⇒ ser
¿Está lleno el tren? Sí, lo está. Toestand (lleno) ⇒ estar

Zelfcheck: Kun jij voor jezelf 2 zinnen maken met lo es en 2 met lo está? Controleer of je in het Spaans een eigenschap (ser) of een toestand (estar) herhaalt.

3. Ser + infinitivo: een actie als idee

Met ser + infinitivo praat je over een actie als algemeen idee (“dat is …en”):

  • Viajar mucho es aprender constantemente.
    = Veel reizen is voortdurend leren.
  • Conducir de noche es asumir más riesgos.
    = ’s Nachts rijden is meer risico nemen.
  • Hacer transbordo es perder tiempo.
    = Overstappen is tijd verliezen.

Je kunt zo’n hele actie ook samenvatten met eso:

  • Conducir tres horas por carreteras secundarias es muy cansado.
    Eso es muy cansado. (= Dat is heel vermoeiend.)

Let op: hier is lo niet nodig. Je vervangt de hele actie liever door eso (dat).

4. Ser + quien: wie is de persoon?

Met ser + quien benadruk je wie iets doet of verantwoordelijk is.

  • Él es quien tiene la culpa.
    = Hij is degene die schuld heeft.
  • Nosotros somos quienes decidimos la ruta.
    = Wij zijn degenen die de route bepalen.
  • La compañía aérea es quien debe pagar el hotel.
    = De luchtvaartmaatschappij is degene die het hotel moet betalen.

Waarom geen lo?

  • Je praat over een persoon / mensen, niet over een eigenschap.
  • Daarom gebruik je quien / quienes en niet lo.

Tip: Vertaal in je hoofd: “degene die / degenen die”. Als dat past, gebruik je ser + quien.

5. lo als lijdend voorwerp: dingen, niet personen

Je kent waarschijnlijk al de directe objectpronomen:

enkelvoud meervoud
mannelijk lo los
vrouwelijk la las

In deze les zie je ze vooral met dingen:

  • Los billetes para Barcelona los tiene mi compañera.
    = Mijn collega heeft ze.
  • El equipaje, la compañía lo perdió.
    = De maatschappij is de koffers kwijtgeraakt.
  • Las maletas, el hotel no las ha encontrado.
    = Het hotel heeft ze niet gevonden.

Verschil met het neutrale lo:

  • neutraal lo: vervangt een eigenschap/toestand.
    El viaje es caro ⇒ Lo es.
  • direct object lo: vervangt een mannelijk enkelvoudig ding.
    He comprado el billete ⇒ Lo he comprado.

6. Wanneer gebruik je juist alleen het werkwoord?

Soms laat je in het Spaans het object helemaal weg.

  • ¿Bebió alcohol? — No, no bebió.
    = Heeft hij alcohol gedronken? — Nee, hij heeft niet gedronken.
  • ¿Pagaste el peaje? — Sí, ya pagué.
    = Heb je tol betaald? — Ja, ik heb al betaald.

In deze context is het duidelijk wat je bedoelt. Een pronomen is dan niet nodig.

Zelfcheck: Als in het Nederlands “het” of “hem” echt verplicht is, heb je in het Spaans meestal ook een pronomen nodig. Als je in het Nederlands ook zonder “het” kunt, kan Spaans vaak ook zonder pronomen.

7. Belangrijke uitzonderingen en typische fouten

7.1 Geen lo na volverse / ponerse / quedarse

Deze werkwoorden beschrijven een verandering van toestand. Je kunt hier het naamwoord niet door lo vervangen.

  • Se volvió vegetariano.
    Se lo volvió.
  • Se quedó tranquilo.
    Se lo quedó.
  • Se puso nervioso.
    Se lo puso.

Tip om te onthouden: bij deze werkwoorden verander je “in iets / hoe iemand is geworden”. Zie dat als één geheel, dat je niet samenvat met lo.

7.2 Naar personen: gebruik le, niet lo

Als de actie gericht is op een persoon, en niet op een ding, gebruik je in standaard-Spaans le (indirect object), niet lo.

  • Lo telefoneé.
    Le telefoneé. ✓ (= Ik heb hem/haar gebeld.)
  • Lo escribí un correo.
    Le escribí un correo. ✓ (= Ik heb hem/haar een mail gestuurd.)

Belangrijk: dit is een ander gebruik van voornaamwoorden dan het neutrale lo in “lo es / lo está”. Meng die twee niet door elkaar.

8. Stap-voor-stap beslisschema

  1. Wil je een eigenschap of toestand van iets herhalen?
    • Eigenschap (duur, lang, comfortabel): gebruik lo + ser.
      El tren es cómodo ⇒ Lo es.
    • Toestand (vol, vertraagd, gesloten): gebruik lo + estar.
      El vuelo está cancelado ⇒ Lo está.
  2. Praat je over een actie als algemeen idee?
    • Gebruik ser + infinitivo.
      Viajar solo es aprender mucho.
    • Je kunt de hele actie vervangen door eso, niet door lo.
  3. Wil je benadrukken wie iets doet of verantwoordelijk is?
    • Gebruik ser + quien.
      La compañía es quien decide.
  4. Vervang je een ding dat al genoemd is?
    • Mannelijk enkelvoud: lo.
    • Vrouwelijk enkelvoud: la.
    • Mannelijk meervoud: los.
    • Vrouwelijk meervoud: las.
    • Los billetes los tiene Ana.
  5. Is het object een persoon?
    • Vaak gebruik je dan le (standaard Spaans):
      Le llamé, le envié un mensaje.
  6. Is het al duidelijk en kun je in het Nederlands ook zonder “het”?
    • Dan kun je vaak ook alleen het werkwoord gebruiken.
      ¿Pagaste el peaje? — Sí, pagué.

9. Korte zelftest: heb je het onder controle?

Probeer in je hoofd (of op papier) te antwoorden in het Spaans.

  1. El billete es muy caro. — ¿Y el hotel, también?
    ⇒ Ja, hij is dat ook. (Hint: eigenschap)
  2. El tren está lleno. — ¿Y el autobús?
    ⇒ Nee, die is dat niet. (Hint: toestand)
  3. Volar con muchas escalas es perder tiempo.
    ⇒ Dat is tijd verliezen. (Hint: actie als idee)
  4. La compañía aérea debe pagar el hotel.
    ⇒ Zij zijn degenen die moeten betalen. (Hint: wie?)
  5. Los billetes para Madrid los tiene tu jefe.
    ⇒ Hij heeft ze. (Hint: direct object van “billetes”)

Kun je in elk geval uitleggen waarom je voor lo es, lo está, ser + infinitivo, ser + quien, een objectpronomen of alleen het werkwoord kiest? Dan beheers je dit onderwerp op B2-niveau voldoende om het actief in gesprekken te gaan gebruiken.

  1. Het naamwoordelijk deel van het gezegde combineert met ser of estar.
  2. Het naamwoordelijk deel van het gezegde kan worden vervangen door lo.
  3. Lo heeft geen geslacht en geen meervoudsvorm.
VormSituatieVoorbeeld
Lo + serHablar de una cualidad (Over een eigenschap spreken)El viaje es largo ⇒ Lo es. (De reis is lang ⇒ Dat is zo.)
Lo + estarHablar de un estado (Over een toestand spreken)El vuelo está retrasado ⇒ Lo está. (De vlucht heeft vertraging ⇒ Dat klopt.)
Ser + infinitivoHablar de una acción (Over een handeling spreken)Eso es viajar. (Dát noem je reizen.)
Ser + quienHablar de una persona (Over een persoon spreken)Él es quien tiene la culpa. (Hij is degene die schuldig is.)
Cosa + lo(s) + verboHablar de algo ya mencionado (Over iets al genoemd spreken)Los libros los tiene Juan. (Juan heeft de boeken.)
Verbo soloHablar en general, sin repetir la cosa (Algemeen spreken, zonder het ding te herhalen)— ¿Bebió alcohol? — No, no bebió. (— Heeft hij alcohol gedronken? — Nee, hij heeft niet gedronken.)

Uitzonderingen!

  1. Het naamwoordelijk deel van het gezegde kan niet met „lo” worden vervangen na volverse, ponerse, quedarse (Se volvió vegetariano ⇒ *Se lo volvió).
  2. Wanneer de handeling gericht is op een persoon, gebruik je “le”, niet “lo” (*Lo telefoneé ⇒ Le telefoneé).

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. —Su tren iba a ser directo a Barcelona, pero ahora no ___: tiene que hacer transbordo en Zaragoza.

—Uw trein zou rechtstreeks naar Barcelona gaan, maar nu is dat niet ___: u moet in Zaragoza overstappen.)

2. —¿El vuelo a Bilbao sigue retrasado? —Sí, por desgracia todavía ___ .

—Is de vlucht naar Bilbao nog vertraagd? —Ja, helaas is hij nog steeds ___.)

3. Conducir tres horas por una carretera secundaria llena de baches ___ muy cansado, por eso prefiero la autopista de peaje.

Drie uur rijden over een secundaire weg vol kuilen ___ erg vermoeiend, daarom geef ik de voorkeur aan de tolweg.)

4. ___ quienes decidimos si el camión debe pasar otro control en la frontera.

___ quienes decidimos si el camión debe pasar otro control en la frontera.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen door het attribuut of lijdend voorwerp correct te vervangen door «lo / la / los / las» of door de aangegeven constructies te gebruiken (lo + ser/estar, ser + infinitief, ser + quien), afhankelijk van wat van toepassing is.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (lo + ser) El viaje en tren es muy caro.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Lo es.
    (Lo es.)
  2. Hint Hint (lo + estar) Nuestro vuelo a Madrid está lleno.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Lo está.
    (Lo está.)
  3. Hint Hint (ser + infinitivo) Para mí, vivir en otro país es aprender cada día.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Para mí, eso es aprender cada día.
    (Voor mij is dat iedere dag leren.)
  4. Hint Hint (ser + quien) María es la que organiza siempre los viajes de la empresa.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    María es quien organiza siempre los viajes de la empresa.
    (María is degene die altijd de reizen van het bedrijf organiseert.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Werk per tweetal de beste optie uit door echte keuzes met elkaar te vergelijken.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
En el aeropuerto, tu vuelo se retrasa y buscas alternativas de transporte.
(Op de luchthaven is je vlucht vertraagd en zoek je naar alternatieve vervoersmogelijkheden.)

Bespreek
  • Describid cada opción de transporte: ¿qué lo hace buena o mala? (Beschrijf elke vervoersoptie: wat maakt deze goed of slecht?)
  • Discutid quién es responsable del retraso y por qué; ¿quién es quien debe asumir los costes? (Bespreek wie verantwoordelijk is voor de vertraging en waarom; wie zou de kosten moeten dragen?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • El vuelo internacional de IBERIA está retrasado; el tren de RENFE no lo está. (De internationale vlucht van IBERIA is vertraagd; de trein van RENFE is dat niet.)
  • Si cruzáis la frontera en coche, eso es conducir por autopista de peaje y carreteras secundarias. (Als je de grens per auto oversteekt, rijd je over tolwegen en secundaire wegen.)
  • El vuelo chárter tiene escalas; eso es perder tiempo y quizá conexiones. (De chartervlucht heeft tussenlandingen; dat kost tijd en kan aansluitingen in gevaar brengen.)

Gebruik in gesprek
  • lo + ser/estar (lo + ser/estar)
  • ser + quien (ser + quien)
  • cosa + lo(s) + verbo (cosa + lo(s) + verbo)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Alessia Amoroso

Master in Talen, Culturen en Communicatie

Università degli Studi di Modena e Reggio Emilia

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 05/03/2026 19:03