B1.29 - Ihr Arbeitsvertrag
B1.29 - Ihr Arbeitsvertrag

B1.29 - Ihr Arbeitsvertrag - Wortschatz

Je arbeidsovereenkomst


Wortschatz (24)

Het loon Anzeigen

Der Lohn Anzeigen

Loonsverhoging Anzeigen

Lohnerhöhung Anzeigen

De werknemer Anzeigen

Der Arbeitnehmer Anzeigen

Het ontslag op staande voet Anzeigen

Die fristlose Kündigung Anzeigen

De werkloosheidsuitkering Anzeigen

Das Arbeitslosengeld Anzeigen

Een vast contract aanbieden Anzeigen

Einen unbefristeten Vertrag anbieten Anzeigen

Het contract beëindigen Anzeigen

Den Vertrag beenden Anzeigen

Ontslag nemen Anzeigen

Kündigung einreichen Anzeigen

Staken Anzeigen

Streiken Anzeigen

Arbeidsvoorwaarden onderhandelen Anzeigen

Arbeitsbedingungen verhandeln Anzeigen

Flexibele werktijden Anzeigen

Flexible Arbeitszeiten Anzeigen

Bedrijfsopleiding Anzeigen

Betriebliche Weiterbildung Anzeigen

Doorstroommogelijkheden Anzeigen

Aufstiegsmöglichkeiten Anzeigen

Aan de slag gaan bij/ met Anzeigen

Bei/mit ... anfangen Anzeigen

Zich houden aan Anzeigen

Sich an etwas halten Anzeigen

Afwijken van Anzeigen

Von etwas abweichen Anzeigen

Instaan voor Anzeigen

Für etwas einstehen Anzeigen

Bespreken Anzeigen

Besprechen Anzeigen

Staan op Anzeigen

Auf etwas bestehen Anzeigen

Ontheffen van Anzeigen

Von etwas entbinden Anzeigen

Zich onttrekken aan Anzeigen

Sich etwas entziehen Anzeigen

Zich bedienen van Anzeigen

Sich bedienen Anzeigen

Vrijstellen van Anzeigen

Von etwas freistellen Anzeigen

Ontheffen van Anzeigen

Von etwas entheben Anzeigen

Gaan (gehen)

Conditionele Verleden Tijd (CVT)


(ik) zou gegaan zijn
(jij/je) zou gegaan zijn
(hij/zij/ze/het) zou gegaan zijn
(wij/we) zouden gegaan zijn
(jullie) zouden gegaan zijn
(zij/ze) zouden gegaan zijn

Ontslag nemen (kündigen)

Conditionele Verleden Tijd (CVT)


(ik) zou ontslag genomen hebben
(jij/je) zou ontslag genomen hebben
(hij/zij/ze/het) zou ontslag genomen hebben
(wij/we) zouden ontslag genomen hebben
(jullie) zouden ontslag genomen hebben
(zij/ze) zouden ontslag genomen hebben

Bespreken (besprechen)

Conditionele Verleden Tijd (CVT)


(ik) zou besproken hebben
(jij/je) zou besproken hebben
(hij/zij/ze/het) zou besproken hebben
(wij/we) zouden besproken hebben
(jullie) zouden besproken hebben
(zij/ze) zouden besproken hebben