Woordenschat (11)

De bakkerij

De bakkerij Show

De bakkerij Show

De cadeauwinkel

De cadeauwinkel Show

De cadeauwinkel Show

De fietsenmaker

De fietsenmaker Show

De fietsenmaker Show

Het kapsalon

Het kapsalon Show

Het kapsalon Show

De kledingzaak

De kledingzaak Show

De kledingzaak Show

Het winkelcentrum

Het winkelcentrum Show

Het winkelcentrum Show

De fruitwinkel

De fruitwinkel Show

De fruitwinkel Show

De schoenmaker

De schoenmaker Show

De schoenmaker Show

De slager

De slager Show

De slager Show

De verkoper

De verkoper Show

De verkoper Show

De klant

De klant Show

De klant Show

Geven (geven)

Onvoltooid verleden tijd (OVT)


(ik) gaf
(jij/je) gaf
(hij/zij/ze/het) gaf
(wij/we) gaven
(jullie) gaven
(zij/ze) gaven

Kopen (kopen)

Onvoltooid verleden tijd (OVT)


(ik) kocht
(jij/je) kocht
(hij/zij/ze/het) kocht
(wij/we) kochten
(jullie) kochten
(zij/ze) kochten

Winkelen (winkelen)

Voltooid verleden tijd (VVT)


(ik) had gewinkeld
(jij/je) had gewinkeld
(hij/zij/ze/het) had gewinkeld
(wij/we) hadden gewinkeld
(jullie) hadden gewinkeld
(zij/ze) hadden gewinkeld