A2.35 - Lokale diensten en winkels
A2.35 - Lokale diensten en winkels

A2.35 - Lokale diensten en winkels - Woordenschat

Lokale diensten en winkels


Woordenschat (11)

De bakkerij

De bakkerij Show

The bakery Show

De cadeauwinkel

De cadeauwinkel Show

The gift shop Show

De fruitwinkel

De fruitwinkel Show

The fruit shop Show

De kledingzaak

De kledingzaak Show

The clothing store Show

Het kapsalon

Het kapsalon Show

The hair salon Show

De schoenmaker

De schoenmaker Show

The cobbler Show

De slager

De slager Show

The butcher Show

Het winkelcentrum

Het winkelcentrum Show

The shopping center Show

De fietsenmaker

De fietsenmaker Show

The bike repair shop Show

De klant

De klant Show

The customer Show

De verkoper

De verkoper Show

The salesperson Show

Geven (geven)

Onvoltooid verleden tijd (OVT)


(ik) gaf
(jij/je) gaf
(hij/zij/ze/het) gaf
(wij/we) gaven
(jullie) gaven
(zij/ze) gaven

Kopen (kopen)

Onvoltooid verleden tijd (OVT)


(ik) kocht
(jij/je) kocht
(hij/zij/ze/het) kocht
(wij/we) kochten
(jullie) kochten
(zij/ze) kochten

Winkelen (winkelen)

Voltooid verleden tijd (VVT)


(ik) had gewinkeld
(jij/je) had gewinkeld
(hij/zij/ze/het) had gewinkeld
(wij/we) hadden gewinkeld
(jullie) hadden gewinkeld
(zij/ze) hadden gewinkeld