Aanwijzende voornaamwoorden kan je zowel bijvoeglijk als zelfstandig gebruiken.

1. Wat doen deze, dit, die, dat precies?

  • Aanwijzende voornaamwoorden wijzen iets of iemand aan: “die jas”, “dit contract”.
  • Ze horen bij een zelfstandig naamwoord of vervangen dat zelfstandig naamwoord:
Met zelfstandig naamwoord Zonder zelfstandig naamwoord (vervanging)
Ik neem dit rapport mee. Ik neem dit mee.
Wil je die pen? Wil je die?

Belangrijk: Het aanwijzend voornaamwoord past zich aan aan het woord dat het “vervangt” of “begeleidt”.

2. De basisregel: de-woord, het-woord, dichtbij, veraf

Onthoud dit schema (dit staat al in het boek, maar nu met korte toelichting):

de-woord het-woord
Dichtbij deze jas, deze mensen dit boek, dit huis
Veraf die jas, die mensen dat boek, dat huis
  • de + dichtbij → deze
  • de + veraf → die
  • het + dichtbij → dit
  • het + veraf → dat

Dit geldt ook als je het zelfstandig naamwoord weglaat:

  • Ik vind deze mooier dan die. (de-woorden in je hoofd: deze jas, die jas)
  • Wil je dit of dat? (het-woorden in je hoofd: dit formulier, dat formulier)

3. Als het woord verdwijnt: hoe weet je dan wat je kiest?

Vaak is het zelfstandig naamwoord duidelijk uit de context en laat je het weg.

Volledige zin Met vervanging Wat hoor je nog in je hoofd?
Vind je deze olifant leuker of vind je die olifant leuker? Vind je deze leuker of vind je die leuker? (de olifant)
Ik neem dit rapport en jij neemt dat rapport. Ik neem dit en jij neemt dat. (het rapport)

Tip: zeg in jezelf even het zelfstandig naamwoord mee. Hoor je “de …”? Gebruik deze/die. Hoor je “het …”? Gebruik dit/dat.

4. Na een voorzetsel: in dit, in deze, naast die, bij dat

Je gebruikt aanwijzende voornaamwoorden vaak na een voorzetsel, bijvoorbeeld:

  • in dit hok
  • in deze
  • bij dat contract
  • naast die kooien

Let op twee situaties:

  1. Met zelfstandig naamwoord erachter
    • In dit hok zitten leeuwen. (het hok)
    • In dat kantoor werkt de directeur. (het kantoor)
    • Bij die balie kunt u betalen. (de balie)
  2. Zonder zelfstandig naamwoord (vervanging)
    • In dit hok zitten leeuwen en in deze de tijgers. (deze = dit hok)
    • In dat kantoor zitten de medewerkers en in dit de manager. (dit = dit kantoor)

Controle: denk steeds: “Welk woord vervangt dit?” Is dat woord een de-woord of een het-woord?

5. Bij een opsomming: deze … en die …

Bij opsommingen laat je het zelfstandig naamwoord vaak weg om herhaling te voorkomen.

  • Geef me een paar van deze en wat van die, alstublieft. (bijvoorbeeld: deze (ansichtkaarten) en die (magneten))
  • Ik neem deze (pennen) en jij neemt die (pennen).

Belangrijk is hier niet de afstand, maar het onderscheid tussen twee groepen:

  • deze = de groep waar je hand of blik nu op ligt
  • die = de andere groep

6. Veelgemaakte fouten (en snelle oplossingen)

  • Fout 1: deze bij een het-woord
    • Deze contract is klaar.
    • Goed: Dit contract is klaar. (het contract → dit/dat)
  • Fout 2: dat bij meervoud de-woorden
    • Dat leeuwen zijn gevaarlijk.
    • Goed: Die leeuwen zijn gevaarlijk. (de leeuwen → deze/die)
  • Fout 3: het verkeerde woord na een voorzetsel
    • In dit verblijf zitten tijgers en in deze de leeuwen.
    • Goed: In dit verblijf zitten tijgers en in die de leeuwen. (de leeuwen → die)
  • Fout 4: vergeten wat je vervangt
    • Als je twijfelt: spreek het hele woord weer uit.
    • “In dit verblijf zitten tijgers en in … verblijf de leeuwen?” → het verblijf → dus dat of dit.

7. Stapsgewijze zelfcheck: kies ik het goede woord?

  1. Stap 1 – Is het dichtbij of veraf?
    • Dichtbij (je wijst iets vlakbij aan, of net genoemd) → deze/dit.
    • Veraf (verder weg, of “ander” object) → die/dat.
  2. Stap 2 – Is het een de- of het-woord?
    • Hoor je in je hoofd: “de …”? → deze/die.
    • Hoor je in je hoofd: “het …”? → dit/dat.
  3. Stap 3 – Staat het zelfstandig naamwoord er nog bij?
    • Ja → laat het gerust staan: “deze jas”, “dat contract”.
    • Nee → vul het in je hoofd aan om de keuze te controleren.
  4. Stap 4 – Staat er een voorzetsel voor?
    • Kijk dan extra goed welk woord je vervangt: hok, kantoor, rapport, mensen…
    • Pas daarna kies je: in dit, in die, bij dat, naast deze

8. Wat moet je nu kunnen?

  • Je kunt uitleggen wanneer je deze/dit (dichtbij) en die/dat (veraf) gebruikt.
  • Je koppelt automatisch de → deze/die en het → dit/dat, ook als het zelfstandig naamwoord wegvalt.
  • Je herkent gebruik na een voorzetsel: in dit, bij die, naast dat, met en zonder zelfstandig naamwoord.
  • Je kunt in een dialoog woorden als “de olifant”, “het contract”, “de formulieren” vervangen door deze, die, dit, dat zonder na te denken.

Als dit allemaal lukt, ben je klaar om in gesprekken veel natuurlijker te klinken met deze, dit, die, dat.

  1. Het aanwijzend voornaamwoord kan een zelfstandig naamwoord vervangen als duidelijk is wat je bedoelt. Bijvoorbeeld: Vind je deze olifant mooi of vind je die mooier?
  2. Het aanwijzend voornaamwoord komt overeen met het geslacht en het lidwoord van het woord.
 de-woordhet-woord
Dichtbijdezedit
Verafdiedat

Uitzonderingen!

  1. Je kunt aanwijzende voornaamwoorden ook gebruiken na een voorzetsel. Bijvoorbeeld: In dit hok zitten leeuwen en in deze de tijgers.
  2. Je kunt aanwijzende voornaamwoorden ook gebruiken bij een opsomming. Bijvoorbeeld: Geef me een paar van deze en wat van die.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Kijk, in dit verblijf wonen de olifanten en in ___ wonen de giraffen.


2. Vind je deze aap leuker of vind je ___ leuker?


3. Ik wil graag een paar van ___ en wat van die, alstublieft.


4. In dit deel van de dierentuin zie je de leeuwen, en in ___ deel zie je de apen.


Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies telkens de juiste zin met onbepaalde of aanwijzende voornaamwoorden. Let goed op het correcte gebruik volgens de regels.

1.
Deze zin klinkt als een vraag, maar de bedoeling is een bewering; de vraagvorm is hier fout.
'Iets' verwijst naar dingen of dieren, maar hier gaat het om een persoon.
2.
'Alle' gebruik je bij meervoudige zelfstandige naamwoorden zonder bezittelijk voornaamwoord.
'Ieder' past niet bij een meervoud zoals 'dieren'; het moet 'alle' of 'al' zijn.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen en vervang het aangeduide deel door een aanwijzend voornaamwoord (deze, dit, die, dat).

Toon/verberg hints
  1. Ik vind de koffie hier lekkerder dan de koffie daar.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik vind deze koffie lekkerder dan die.
  2. Heb je het nieuwe contract al getekend of heb je het oude contract nog?
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Heb je dit nieuwe contract al getekend of heb je dat oude nog?
  3. Wil je de rode pen of wil je de blauwe pen?
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wil je deze rode pen of wil je die blauwe?
  4. In het kleine kantoor zitten de stagiairs en in het grote kantoor zit de directeur.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    In dit kleine kantoor zitten de stagiairs en in dat grote kantoor zit de directeur.

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Bespreek welke dieren jullie bezoeken en in welke volgorde.

Situatie
Je plant een familie-uitje naar de dierentuin en bekijkt samen de plattegrond.

Bespreek
  • Welke dieren wil jij als eerste zien en waarom?
  • Welke route kies je op de plattegrond: langs deze of langs die? Leg uit.

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Ik wil eerst deze olifant zien, daarna die leeuw.
  • In dit deel zijn de tijgers en in dat deel de giraffen.

Gebruik in gesprek
  • deze / dit / die / dat zelfstandig gebruiken
  • aanwijzende voornaamwoorden na voorzetsels gebruiken (in, naast, bij)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

vrijdag, 06/03/2026 14:00