Zelfstandig gebruik van aanwijzende voornaamwoorden

Zelfstandig gebruik van aanwijzende voornaamwoorden


Aanwijzende voornaamwoorden kan je zowel bijvoeglijk als zelfstandig gebruiken.

Wanneer gebruik je deze/dit/die/dat?

  • Deze / dit = dichtbij (hier, nu, in je hand, op je scherm).
  • Die / dat = verder weg (daar, toen, aan de andere kant, eerder genoemd).
  • Je gebruikt ze ook om te vergelijken: deze vs die.
  de-woord het-woord
dichtbij deze dit
veraf die dat

Stap 1: kies de of het (en kijk naar enkelvoud/meervoud)

  • de-woord (enkelvoud) → deze / die
  • het-woord (enkelvoud) → dit / dat
  • meervoud (altijd de-woorden)deze (dichtbij) / die (veraf)

Voorbeelden

  • de stoel → deze stoel / die stoel
  • het contract → dit contract / dat contract
  • de stoelen → deze stoelen / die stoelen

Stap 2: kies dichtbij of veraf (het gaat vaak om perspectief)

  • Dichtbij is niet alleen fysiek: ook iets dat je net noemt of nu bespreekt.
  • Veraf is ook: iets anders, eerder genoemd, minder ‘in beeld’.

In gesprek

  • “Kun je dit even tekenen?” (het document ligt voor je)
  • “Bedoel je dat document van vorige week?”

Zelfstandig gebruik: deze/dit/die/dat = ‘deze/dit ene’

Als duidelijk is welk zelfstandig naamwoord je bedoelt, mag je het woord weglaten.

  • “Neem je deze of die?” (bijv. twee pennen)
  • “Heb je dit al gelezen?” (bijv. een rapport)
  • “Ik pak die.” (de pen daar)

Let op: de keuze blijft hetzelfde: deze/die bij de-woorden (en meervoud), dit/dat bij het-woorden.

Na een voorzetsel: in dit, naast die, bij deze…

Na een voorzetsel werkt het hetzelfde.

  • “In dit kantoor zit de directie; in dat kantoor zit HR.”
  • “Naast deze printer staat die scanner.”

Veelgemaakte fout

  • in deze kantoorin dit kantoor (kantoor = het-woord)
  • naast dat colleganaast die collega (collega = de-woord)

Opsommingen: een paar van deze, wat van die

  • Bij hoeveelheden kun je het zelfstandig gebruiken: een paar van deze, wat van die.
  • Handig als je het onderwerp (bv. koekjes, rapporten, folders) niet opnieuw wilt noemen.

Voorbeelden

  • “Stuur me deze bijlagen en laat die even liggen.”
  • “Ik neem een paar van deze en wat van die.”

Snelle zelfcheck (30 seconden)

  1. Is het de of het? (of meervoud?)
  2. Kies dan: deze/die (de + meervoud) of dit/dat (het).
  3. Is het dichtbij (hier/nu) of veraf (daar/toen/ander)?

Tip: twijfel je tussen deze en dit? Controleer snel: zeg je de of het bij het zelfstandig naamwoord.

  1. Het aanwijzend voornaamwoord kan een zelfstandig naamwoord vervangen als duidelijk is wat je bedoelt. Bijvoorbeeld: Vind je deze olifant mooi of vind je die mooier?
  2. Het aanwijzend voornaamwoord komt overeen met het geslacht en het lidwoord van het woord.
 de-woordhet-woord
Dichtbijdezedit
Verafdiedat

Uitzonderingen!

  1. Je kunt aanwijzende voornaamwoorden ook gebruiken na een voorzetsel. Bijvoorbeeld: In dit hok zitten leeuwen en in deze de tijgers.
  2. Je kunt aanwijzende voornaamwoorden ook gebruiken bij een opsomming. Bijvoorbeeld: Geef me een paar van deze en wat van die.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Kijk, in dit verblijf wonen de olifanten en in ___ wonen de giraffen.


2. Vind je deze aap leuker of vind je ___ leuker?


3. Ik wil graag een paar van ___ en wat van die, alstublieft.


4. In dit deel van de dierentuin zie je de leeuwen, en in ___ deel zie je de apen.


Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies telkens de juiste zin met onbepaalde of aanwijzende voornaamwoorden. Let goed op het correcte gebruik volgens de regels.

1.
Deze zin klinkt als een vraag, maar de bedoeling is een bewering; de vraagvorm is hier fout.
'Iets' verwijst naar dingen of dieren, maar hier gaat het om een persoon.
2.
'Alle' gebruik je bij meervoudige zelfstandige naamwoorden zonder bezittelijk voornaamwoord.
'Ieder' past niet bij een meervoud zoals 'dieren'; het moet 'alle' of 'al' zijn.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen en vervang het aangeduide deel door een aanwijzend voornaamwoord (deze, dit, die, dat).

Toon/verberg hints
  1. Ik vind de koffie hier lekkerder dan de koffie daar.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ik vind deze koffie lekkerder dan die.
  2. Heb je het nieuwe contract al getekend of heb je het oude contract nog?
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Heb je dit nieuwe contract al getekend of heb je dat oude nog?
  3. Wil je de rode pen of wil je de blauwe pen?
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Wil je deze rode pen of wil je die blauwe?
  4. In het kleine kantoor zitten de stagiairs en in het grote kantoor zit de directeur.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    In dit kleine kantoor zitten de stagiairs en in dat grote kantoor zit de directeur.

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Bespreek welke dieren jullie bezoeken en in welke volgorde.

Situatie
Je plant een familie-uitje naar de dierentuin en bekijkt samen de plattegrond.

Bespreek
  • Welke dieren wil jij als eerste zien en waarom?
  • Welke route kies je op de plattegrond: langs deze of langs die? Leg uit.

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Ik wil eerst deze olifant zien, daarna die leeuw.
  • In dit deel zijn de tijgers en in dat deel de giraffen.

Gebruik in gesprek
  • deze / dit / die / dat zelfstandig gebruiken
  • aanwijzende voornaamwoorden na voorzetsels gebruiken (in, naast, bij)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 25/03/2026 05:39