A2.22 - Persoonlijke hygiëne
A2.22 - Persoonlijke hygiëne

A2.22 - Persoonlijke hygiëne - Woordenschat

Persoonlijke hygiëne


Woordenschat (11)

De tandenborstel

De tandenborstel Show

De tandenborstel Show

De tandpasta

De tandpasta Show

De tandpasta Show

De shampoo

De shampoo Show

De shampoo Show

De zeep

De zeep Show

De zeep Show

De zalf

De zalf Show

De zalf Show

De gel

De gel Show

De gel Show

De deodorant

De deodorant Show

De deodorant Show

De parfum

De parfum Show

De parfum Show

De tanden poetsen

De tanden poetsen Show

De tanden poetsen Show

De handen wassen

De handen wassen Show

De handen wassen Show

Allergisch zijn

Allergisch zijn Show

Allergisch zijn Show

Zich scheren (zich scheren)

Onvoltooid verleden tijd (OVT)


(ik) scheerde me
(jij/je) scheerde je
(hij/zij/ze/het) scheerde zich
(wij/we) schereden ons
(jullie) schereden je
(zij/ze) schereden zich

Zich wassen (zich wassen)

Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)


(ik) heb me gewassen
(jij/je) hebt je gewassen
(hij/zij/ze/het) heeft zich gewassen
(wij/we) hebben ons gewassen
(jullie) hebben je gewassen
(zij/ze) hebben zich gewassen