Oefening 1: Een woord matchen

Instructie: Koppel de items die een verwante betekenis hebben.

het college — de hoorles
het tentamen — het examen
afstuderen — een diploma halen
slagen — een voldoende halen

Oefening 2: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Studeren aan de universiteit: informatie voor nieuwe studenten

Vul de lege plekken in: slaagde, cursussen, opleiding, stagiair, tentamen, colleges, stage, slaag, bachelor, diploma, afstuderen, zakte, master

(Studeren aan de universiteit: informatie voor nieuwe studenten)

Ga je studeren aan een universiteit in Nederland? Eerst kies je een . Veel studenten beginnen met een en gaan daarna door met een . Je volgt en ; aan het einde van een cursus is er vaak een . Als je genoeg punten haalt, je en kun je later je halen.

Veel opleidingen hebben ook een . Tijdens de stage werk je bij een bedrijf of organisatie en oefen je belangrijke vaardigheden. Vorige week vertelde een op onze afdeling dat hij vorig jaar voor een tentamen . Hij deed het tentamen later opnieuw en . Nu wil hij en zich verder ontwikkelen in zijn vak.

  1. Welke stappen noemt de tekst van beginnen tot het krijgen van een diploma?

Oefening 3: Luistervaardigheid

Instructie: Luister naar het audiofragment en geef aan of de volgende uitspraken waar of onwaar zijn.

Volgende maand begin ik met een bachelor aan de Hogeschool Rotterdam. Ik heb me ingeschreven voor een cursus Nederlands en ik ga elke maandag naar het college. In januari is het eerste tentamen. Ik hoop te slagen, want later wil ik een master doen. Ook zoek ik een stage zodat ik nieuwe vaardigheden kan ontwikkelen. Als ik klaar ben, wil ik afstuderen en mijn diploma halen.
Waar Onwaar

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Vorige week ___ ik voor het tentamen van mijn cursus Nederlands.


2. Gisteren ___ mijn vriendin voor haar bachelor en kreeg ze haar diploma.


3. Een jaar geleden ___ veel studenten voor het eerste college omdat het moeilijk was.


Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Discussievragen

Instructie: Beantwoord de vragen met het vocabulaire uit dit hoofdstuk.

Nuttige uitdrukkingen:

Ik studeer … aan … / Ik wil … gaan studeren. / Gisteren / vorige week heb ik … gedaan en toen … / Voor het tentamen heb ik … geoefend en ik ben geslaagd / gezakt.

  1. Welke opleiding volg je nu of welke studie wil je in Nederland gaan doen? Vertel kort waarom.

    __________________________________________________________________________________________________________

  2. Hoe ging je laatste tentamen of cursus? Vertel wat je gisteren of vorige week deed om je voor te bereiden.

    __________________________________________________________________________________________________________

Oefening 7: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie