A2.8 - Vakantieramp?
Vakantieramp?
1. Taalonderdompeling
A2.8.1 Activiteit
Dialoog op het politiebureau
3. Grammatica
A2.8.2 Grammatica
Onregelmatige voltooid deelwoorden
Belangrijk werkwoord
Stelen (stelen)
Belangrijk werkwoord
Denken (denken)
4. Oefeningen
Oefening 1: Writing correspondence
Instructie: Write a reply to the following message appropriate to the situation
Email: Je krijgt een e-mail van de Nederlandse ambassade in Spanje over je gestolen tas; reageer en leg je situatie uit en stel je vragen.
Onderwerp: Uw gestolen paspoort
Geachte heer/mevrouw,
De politie in Barcelona heeft ons bericht dat uw paspoort is gestolen. U kunt bij onze ambassade een noodpaspoort aanvragen.
Neemt u alstublieft mee:
- het proces-verbaal van de politie
- één pasfoto
- uw reisverzekering, als u die heeft
Kunt u ons per e-mail kort schrijven wat er is gebeurd en wanneer u naar de ambassade kunt komen?
Met vriendelijke groet,
Marieke Jansen
Consulair medewerker
Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden
Onderwerp: Uw gestolen paspoort
Geachte heer/mevrouw,
De politie in Barcelona heeft ons gemeld dat uw paspoort is gestolen. U kunt bij onze ambassade een noodpaspoort aanvragen.
Neemt u alstublieft mee:
- het proces-verbaal van de politie
- één pasfoto
- uw reisverzekering, als u die heeft
Kunt u ons per e-mail kort schrijven wat er is gebeurd en aangeven wanneer u naar de ambassade kunt komen?
Met vriendelijke groet,
Marieke Jansen
Consulair medewerker
Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden
Begrijp de tekst:
-
Wat moet de reiziger meenemen naar de ambassade? Noem minimaal twee dingen.
-
Wat wil de ambassade precies weten in de e-mail van de reiziger?
Nuttige zinnen:
-
Ik schrijf u omdat mijn paspoort is gestolen op…
-
Ik kan op … naar de ambassade komen.
-
Kunt u mij vertellen of … mogelijk is?
Dank u voor uw e-mail. Mijn tas is gisterenavond in Barcelona gestolen in de metro. In de tas zaten mijn paspoort, mijn portemonnee en mijn telefoon. Ik heb al aangifte gedaan bij de politie en ik krijg morgen het proces-verbaal.
Ik kan vrijdag om 10.00 uur naar de ambassade komen. Kunt u mij vertellen hoeveel een noodpaspoort kost? Ik heb wel een reisverzekering.
Met vriendelijke groet,
[Je naam]
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Toen ik het paspoort kwijt was, ___ ik eerst ___ dat ik het in het hotel had laten liggen.
2. Bij het politiebureau vertelde ik dat iemand mijn tas ___ ___ toen ik op het strand lag.
3. De agent vroeg of ik meteen ___ ___ aan het nummer van mijn reisverzekering.
4. Bij de ambassade zei ik dat ik eerst ___ ___ dat de politie mijn telefoon al ___ teruggevonden.
Oefening 3: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Portemonnee kwijt op vakantie
Toerist: Show Goedemiddag, ik ben mijn portemonnee kwijt, ik denk dat iemand hem heeft gestolen.
Agent op het politiebureau: Show Dat is vervelend, waar was u toen u het ongeluk merkte?
Toerist: Show In de tram bij het Centraal Station, ik heb nu geen geld en geen pasjes meer.
Agent op het politiebureau: Show We maken een proces-verbaal, dan kunt u daarna ook uw reisverzekering en de ambassade bellen.
Open vragen:
1. Wat zou jij eerst doen als je je paspoort of portemonnee kwijtraakt op vakantie?
2. Heb jij al eens om hulp gevraagd bij de politie of een andere dienst? Wat gebeurde er toen?
Paspoort kwijt, hulp bij ambassade
Reiziger: Show Hallo, ik ben mijn paspoort kwijt en ik heb hulp nodig van de ambassade.
Medewerker ambassade: Show Dat is een ramp, wanneer heeft u gemerkt dat het paspoort weg was?
Reiziger: Show Gisteravond, ik was verdwaald in de stad en daarna vond ik mijn tas open.
Medewerker ambassade: Show We gaan samen een nieuw document aanvragen, kijkt u ook op onze website voor wat de reisverzekering kan doen.
Open vragen:
1. Welke documenten neem jij mee als je naar de ambassade moet gaan?
2. Ben jij wel eens verdwaald of iets belangrijks kwijtgeraakt in het buitenland? Vertel erover.
Oefening 4: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je bent op vakantie en je tas is gestolen op een terras. Je gaat naar het politiebureau om het te melden. Zeg wat er is gebeurd en wat je nodig hebt. (Gebruik: De politie, stelen, aangifte doen)
Ik ben bij de politie en
Voorbeeld:
Ik ben bij de politie en ik wil melden dat iemand mijn tas heeft gestolen. Ik wil graag aangifte doen, want mijn paspoort en mijn portemonnee zijn weg.
2. Je bent in een drukke stad in Nederland en je bent verdwaald. Je ziet een politiebusje. Vraag de politie om hulp om de weg te vinden naar je hotel. (Gebruik: Verdwaald, om hulp vragen, het politiebureau)
Ik ben verdwaald en
Voorbeeld:
Ik ben verdwaald en ik wil graag om hulp vragen. Kunt u mij alstublieft zeggen waar ik ben en hoe ik naar mijn hotel kan lopen, of naar het politiebureau als dat makkelijker is?
3. Je bent in het buitenland en je bent je paspoort kwijt. Je belt de Nederlandse ambassade. Leg kort uit wat er is gebeurd en wat je nodig hebt. (Gebruik: De ambassade, kwijt, een nieuw paspoort)
Ik bel de ambassade omdat
Voorbeeld:
Ik bel de ambassade omdat ik mijn paspoort kwijt ben. Ik ben op vakantie hier en ik heb een nieuw paspoort of een nooddocument nodig om terug naar Nederland te reizen.
4. Je fietst naar je werk en je ziet een ongeluk met een auto en een fietser. Je pakt je telefoon en belt 112. Vertel rustig wat er is gebeurd en waar je bent. (Gebruik: Het ongeluk, om hulp vragen, de rampendienst / 112 bellen)
Ik bel 112 over het ongeluk en
Voorbeeld:
Ik bel 112 over het ongeluk en ik zeg dat er een fietser op de grond ligt naast een auto. Ik leg uit waar ik ben, op welke straat, en ik vraag snel om hulp van een ambulance en misschien de politie.
Oefening 5: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf vijf of zes zinnen over een probleem op vakantie (bijvoorbeeld iets kwijt of gestolen) en leg uit wat je hebt gedaan om hulp te krijgen.
Nuttige uitdrukkingen:
Ik heb een probleem, want … / Ik heb meteen contact opgenomen met … / Daarna heb ik het formulier ingevuld op … / Uiteindelijk kon ik toch …
Oefening 6: Gespreksoefening
Instructie:
- Wat voor nare dingen kunnen er op een reis gebeuren? (Wat voor nare dingen kunnen er op een reis gebeuren?)
- Wat kun je doen als het jou overkomt? (Wat kun je doen als het jou overkomt?)
- Is een van die situaties ooit bij u gebeurd? (Is een van die situaties ooit bij jou gebeurd?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
Je geld kan gestolen worden. |
|
Iemand kan je tas stelen. |
|
Je kunt verdwalen tijdens een wandeltocht. |
|
Je kunt altijd mensen om hulp vragen. |
|
Het is belangrijk om een reisverzekering te hebben. |
|
Ik ben mijn telefoon al eens kwijtgeraakt. |
| ... |