Hoe je vragen vormt met en zonder vraagwoord door juiste volgorde van werkwoord en onderwerp.
- Het vraagwoord staat altijd op de eerste plaats.
- De persoonsvorm volgt direct na het vraagwoord in vragende zinnen met een vraagwoord.
- De andere zinsdelen blijven in hun normale volgorde na de persoonsvorm.
| Woordvolgorde | Voorbeeld | |
|---|---|---|
| Zonder vraagwoord | Persoonsvorm - Onderwerp - Tijd - Plaats - Lijdend voorwerp | Heeft de manager vandaag de vacature bekeken? |
| Met een vraagwoord | Vraagwoord - Persoonsvorm - Onderwerp - Tijd - Plaats - Lijdend voorwerp | Wanneer heeft de manager de vacature bekeken? |
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. ___ u volgende maand beschikbaar voor een gesprek met de afdeling personeelszaken?
2. ___ heeft u het contract van personeelszaken gekregen?
3. ___ werkt de kennis die mij over deze vacature heeft verteld?
4. ___ de manager van de afdeling mijn salaris als bruto of netto uitgelegd?
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de correcte vraagzin die past bij de juiste woordvolgorde van vraagzinnen met en zonder vraagwoord.
Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen als ja/nee-vragen of vragen met een vraagwoord. Let op de woordvolgorde: (vraagwoord) – persoonsvorm – onderwerp – tijd – plaats – andere zinsdelen.
-
U werkt morgen in het magazijn.
-
De manager belt de kandidaat vanmiddag in het kantoor.⇒ _______________________________________________ ExampleBelt de manager de kandidaat vanmiddag op kantoor?
Oefening 4: Grammatica in actie
Instructie: Werk in tweetallen; stel elkaar om de beurt vragen over de baan.
- Welke vragen stel je over het salaris en het contract?
- Welke vragen stel je over de werkzaamheden op de afdeling?
- Wat zijn de vereisten voor deze functie?
- Wanneer kunt u mij in dienst nemen?
- Wat is het bruto en netto salaris?
- Zonder vraagwoord: Persoonsvorm - Onderwerp - Tijd - Plaats - Lijdend voorwerp
- Met vraagwoord: Vraagwoord - Persoonsvorm - Onderwerp - Tijd - Plaats - Lijdend voorwerp