1. Taalonderdompeling
A2.10.1 Activiteit
TV-programma's
3. Grammatica
A2.10.2 Grammatica
Onvoltooid verleden tijd: regelmatige werkwoorden met klankverandering
Belangrijk werkwoord
Veranderen (veranderen)
Belangrijk werkwoord
Reageren (reageren)
4. Oefeningen
Oefening 1: Correspondentie schrijven
Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie
WhatsApp: Je krijgt een WhatsApp van een collega/vriend over een nieuwsitem dat hij gisteravond op tv zag; reageer op zijn bericht en geef je mening en plannen.
Hey,
Heb je gisteravond het nieuws op RTL Z gezien? Er was een verslag over de hoge energieprijzen. Ik werd er best bezorgd van.
De presentator liet ook een kort fragment van een documentaire zien. Ik wil die dit weekend via internet nog een keer bekijken.
Wat vond jij ervan? Kijk jij vaak naar dat programma of naar een andere zender voor het nieuws?
Groet,
Mark
Hey,
Heb je gisteravond het nieuws op RTL Z gezien? Er was een verslag over de hoge energieprijzen. Ik werd er best bezorgd van.
De presentator liet ook een kort fragment van een documentaire zien. Ik wil die dit weekend via internet nog een keer bekijken.
Wat vond jij ervan? Kijk jij vaak naar dat programma of naar een andere zender voor het nieuws?
Groet,
Mark
Begrijp de tekst:
-
Waarom is Mark bezorgd na het kijken naar het nieuws op RTL Z?
-
Wat wil Mark in het weekend via internet bekijken?
Nuttige zinnen:
-
Hoi Mark, bedankt voor je bericht.
-
Ik heb het nieuws ook gezien en ik vond...
-
Dit weekend wil ik graag…
Ja, ik heb gisteravond ook het nieuws op RTL Z gezien. Ik vond het verslag over de energieprijzen ook erg interessant. Ik ben ook een beetje bezorgd, want mijn rekening werd hoger.
Meestal kijk ik naar het nieuws op NPO 1, maar soms ook naar RTL Z. Dit weekend wil ik de documentaire op internet terugkijken.
Groeten,
Sara
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Gisteren ___ de zender het nieuwsprogramma zomaar naar een sportprogramma.
2. Veel kijkers ___ boos op internet, omdat ze het verslag niet meer konden zien.
3. De presentator ___ zijn toon toen hij de bezorgde reacties van de luisteraars hoorde.
4. Gisteravond ___ mijn collega rustig op het nieuws over de nieuwe mediawet.
Oefening 3: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 4: Discussievragen
Instructie: Beantwoord de vragen met het vocabulaire uit dit hoofdstuk.
-
Kunt u kort vertellen over een nieuwsbericht dat u gisteren of eergisteren op tv of radio hoorde? Waar ging het over?
__________________________________________________________________________________________________________
-
Hoe volgt u meestal het nieuws in Nederland: televisie, radio, krant of internet? Waarom heeft u die voorkeur?
__________________________________________________________________________________________________________
-
Stel: er is een staking in het openbaar vervoer en u moet naar uw werk. Wat hoort u in het nieuws en wat doet u daarna?
__________________________________________________________________________________________________________
-
In Nederland zijn er verschillende zenders, zoals NOS of RTL. Welke zender kijkt of luistert u graag en wat vindt u goed aan die zender?
__________________________________________________________________________________________________________
Oefening 5: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 6 tot 8 zinnen over een nieuwsprogramma dat je laatst hebt gezien of gehoord en vertel wat je daarvan vond.
Nuttige uitdrukkingen:
Gisteravond heb ik op … gekeken. / Het ging over … en dat vond ik interessant omdat … / Veel mensen reageerden, sommige waren blij maar anderen bezorgd. / Persoonlijk vind ik dat … omdat …
Oefening 6: Gespreksoefening
Instructie:
- Beschrijf wat er op het nieuws is gebeurd. (Beschrijf wat er op het nieuws is gebeurd.)
- Beschrijf de verschillende media typen die je ziet. (Beschrijf de verschillende mediatypen die je ziet.)
- Lees of kijk je regelmatig het nieuws? (Lees of kijk je regelmatig het nieuws?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Voorbeeldzinnen:
|
In Luxemburg heeft de regering een vergadering gehad. Een vrouw heeft een toespraak gehouden. |
|
Er was een grote protest in Parijs. Bussen en auto's konden niet meer rijden. |
|
Ik zie korte video's en foto's over het nieuws op sociale media. |
|
Ik zie het nieuws op de televisie. |
|
Ik lees het nieuws op een website. |
|
Ik kijk elke avond naar het nieuws. |
| ... |