A2.18.3 - Onbepaalde telwoorden (veel, weinig, wat)
Onbepaalde telwoorden (veel, weinig, wat)
Onbepaalde telwoorden geven een onduidelijke hoeveelheid aan.
- Onbepaalde telwoorden duiden een onbekende hoeveelheid aan.
- Sommige onbepaalde telwoorden krijgen een -e als ze voor een zelfstandig naamwoord staan.
- Enige en sommige krijgen een -n als ze zelfstandig voor personen in het meervoud gebruikt worden..
| Telwoord | Gebruik | Voorbeeld |
|---|---|---|
| veel (veel) | grote hoeveelheid (grote hoeveelheid) | Er zijn veel schapen op de wei. (Er zijn veel schapen op de wei.) |
| weinig (weinig) | kleine hoeveelheid (kleine hoeveelheid) | Er zij weinig kippen op de boerderij. (Er zijn weinig kippen op de boerderij.) |
| wat (wat) | onbepaalde hoeveelheid (onbepaalde hoeveelheid) | Wil je wat melk? (Wil je wat melk?) |
| enige (enige) | beperkte hoeveelheid (beperkte hoeveelheid) | Hij heeft sinds enige jaren een boerderij. (Hij heeft sinds enige jaren een boerderij.) |
| sommige (sommige) | niet iedereen (niet iedereen) | Sommige mensen houden niet van het platteland. (Sommige mensen houden niet van het platteland.) |
| een paar (een paar) | een klein aantal (een klein aantal) | Ik zie een paar kippen op de boerderij. (Ik zie een paar kippen op de boerderij.) |
| genoeg (genoeg) | voldoende (voldoende) | We hebben genoeg voedsel voor vandaag. (We hebben genoeg voedsel voor vandaag.) |
| geen (geen) | niets (niets) | Er is geen melk meer. (Er is geen melk meer.) |
Uitzonderingen!
- Een paar, wat, genoeg krijgen geen -e achteraan.
Oefening 1: Onbepaalde telwoorden (veel, weinig, wat,...)
Instructie: Vul het juiste woord in.
veel, weinig, wat, Sommigen, geen, genoeg, een paar
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de correcte zin met een samengesteld zelfstandig naamwoord. Let op de juiste vorm en het gebruik van tussen-s en tussen-en.
Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen en gebruik het juiste onbepaalde telwoord (veel, weinig, wat, enige, sommige, een paar, genoeg, geen).
-
⇒ _______________________________________________ ExampleEr zijn veel schapen op de wei, maar ik zie ze niet goed.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleIn dit dorp wonen sommige mensen, maar ik ken ze niet allemaal.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleWe hebben wat brood, maar ik wil nog iets extra.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleOp de boerderij lopen een paar kippen rond; het zijn er maar twee of drie.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleOp de camping zijn weinig winkels open, dus je kunt niet overal boodschappen doen.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleIn dit hotel zijn genoeg kamers vrij, dus u hoeft zich geen zorgen te maken.
Pas deze grammatica toe tijdens echte gesprekken!
Deze grammatica-oefeningen maken deel uit van onze conversatiecursussen. Vind een leraar en oefen dit onderwerp tijdens echte gesprekken!
- Implementeert ERK-, DELE-examen en Cervantes-richtlijnen
- Ondersteund door de universiteit van Siegen
Geschreven door
Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage