De gebiedende wijs gebruikt de volgorde werkwoord, onderwerp, rest, met voorbeelden als Ga zitten, Doe het raam open.
- Negatief: Werkwoord + (onderwerp) + niet/geen + rest.
- Bij 'u' en 'jullie': onderwerp op 2e plaats verplicht.
| 1e plaats Werkwoord | 2e plaats Onderwerp | 3e plaats Rest |
|---|---|---|
| Werk | - | samen! |
| Gaat | u | naar binnen! |
| Helpen | jullie | mij! |
Uitzonderingen!
- Er is vaak geen onderwerp in affirmatieve zinnen met 'jij'.
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. ___ samen aan dit project en communiceer duidelijk met je teamgenoten.
2. ___ nu naar het overleg en leg de fout rustig uit.
3. ___ geen fouten meer in dit rapport en controleer daarna de cijfers samen.
4. ___ je teamgenoten en werk niet alleen aan de oplossing.
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies in elke groep de correcte gebiedende wijszin.
Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen in de gebiedende wijs (bevel). Let op de volgorde: werkwoord – (onderwerp) – rest. Gebruik bij ontkenningen: werkwoord – (onderwerp) – niet/geen – rest. Voorbeeld: Jij maakt de deur open. → Maak de deur open! / Jullie maken de deur niet open. → Maak de deur niet open!
-
Jij gaat nu naar binnen.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldGa nu naar binnen!
-
U maakt het rapport vandaag af.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldMaakt u het rapport vandaag af!
-
Jullie praten niet zo hard in de vergaderruimte.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldPraat niet zo hard in de vergaderruimte!
-
Jij helpt je collega met de presentatie.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldHelp je collega met de presentatie!
Oefening 4: Grammatica in actie
Instructie: Geef elkaar korte, duidelijke opdrachten in de gebiedende wijs (jij/u/jullie).
- Welke taak geef jij aan je collega? Gebruik een directe opdracht.
- Wat zeg je als iemand iets niet moet doen? Gebruik een negatieve gebiedende wijs met niet/geen.
- Werk samen met je teamgenoot.
- Communiceer duidelijk met het team.
- Maak geen fout in de planning.
- Affirmatieve bevelen: werkwoord, (onderwerp), rest — bijvoorbeeld: "Werk samen!"
- Bevelen met u/jullie: onderwerp op tweede plaats — bijvoorbeeld: "Gaat u naar het overleg!"
- Negatieve bevelen: werkwoord + (onderwerp) + niet/geen + rest — bijvoorbeeld: "Maak geen fout."