Wanneer geen artikel gebruiken

Wanneer geen artikel gebruiken


In het Nederlands gebruik je in sommige gevallen geen lidwoord.

Wanneer laat je het lidwoord weg?

In het Nederlands gebruik je soms geen lidwoord (de/het/een). Dat doe je vooral als je iets algemeen bedoelt, niet iets specifieks.

Algemeen (geen lidwoord) Specifiek (wel lidwoord)
Ik drink water. Ik drink het water uit deze fles.
Er lopen kinderen. Waar zijn de kinderen van de buren?

Meervoud: vaak geen lidwoord

  • Bedoel je geen bepaalde groep, maar gewoon “in het algemeen”? Dan: geen lidwoord.

Goed: Er zitten collega’s in de trein.

Specifiek: Ik bel de collega’s van mijn team.

Let op: Met alle of een aanwijzing gebruik je wél een lidwoord.

  • de kinderen hier
  • alle collega’s (meestal zonder lidwoord bij alle: “alle collega’s”, niet “de alle collega’s”)

Namen (personen en plaatsen): meestal zonder lidwoord

  • Voor eigennamen gebruik je normaal geen lidwoord.

Goed: Mijn collega heet Piet Jansen.

Goed: Ik werk in Amsterdam.

Valkuil: in het Amsterdam (tenzij je bewust iets anders bedoelt, bv. een gebouw/locatie met een naam).

Maanden en dagen: zonder lidwoord

  • Maanden en dagen staan meestal zonder lidwoord.

Goed: In juli ben ik een week weg.

Goed: Morgen is het maandag.

Valkuil: in de juli / het maandag

Niet-telbare woorden: zonder lidwoord (tenzij het specifiek is)

  • Woorden zoals water, koffie, geld, tijd, bagage, ondergoed zijn vaak niet-telbaar.
  • Dan gebruik je meestal geen lidwoord.

Goed: Ik neem bagage mee.

Goed: Wil je koffie?

Specifiek (dus wél lidwoord): Kun je de koffie op tafel zetten?

Handig trucje: Kun je het makkelijk tellen (1, 2, 3)? Zo niet, dan vaak geen lidwoord.

Beroepen na ‘zijn’: geen lidwoord

  • Na zijn/worden + beroep: meestal zonder lidwoord.

Goed: Mijn moeder is dokter.

Goed: Hij is agent.

Specifiek (andere betekenis): Zij is de dokter die mij gisteren hielp. (die ene, bekende dokter)

Nationaliteiten als zelfstandig naamwoord: vaak zonder lidwoord

  • Als je iemands nationaliteit noemt als label, kan dat zonder lidwoord.

Goed: John is Engelsman.

Ook goed (met bijvoeglijk naamwoord): John is Engels.

Specifiek of contrasterend: Hij is een Engelsman, geen Amerikaan. (je benadrukt “één persoon van die groep”)

Vaste combinaties: leer ze als één blok

  • Sommige uitdrukkingen staan bijna altijd zonder lidwoord. Leer ze als vaste combinatie.
Vaste combinatie Voorbeeld in context
op school De kinderen zijn op school.
op straat Het is druk op straat.
per jaar Ik reis drie keer per jaar voor werk.

Let op betekenisverschil:

  • op school = (als leerling/leraar) op de plek met de functie “school”
  • op de school = op een specifieke school (gebouw/locatie): “op de school aan het plein”

Snelle zelfcheck (3 vragen)

  1. Is het meervoud en bedoel ik het algemeen? → geen lidwoord.
  2. Is het een naam (persoon/plaats) of maand/dag? → geen lidwoord.
  3. Is het niet-telbaar of een beroep na ‘zijn’? → meestal geen lidwoord.
    Maar: als het duidelijk om iets specifieks gaat, kies je wél ‘de/het’.
GebruikVoorbeelden
MeervoudDaar lopen kinderen.
Namen van personenZijn naam is Piet Jansen.
Namen van landen, eilanden, provincies, steden en dorpenIk woon in Amsterdam
Vaste uitdrukkingenop straat
op school
per jaar
Maanden en dagenIn juli ga ik op vakantie.
Niet-telbare zelfstandige naamwoordenZij drinkt water.
BeroepenMijn vader is agent.
Nationaliteiten zonder lidwoordJohn is Engelsman.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Op zakenreis neem ik altijd ____ mee en ik stop sokken in mijn rugzak.


2. In ____ vlieg ik naar Spanje, dus ik pak ook een zonnebril in.


3. Mijn collega ____ reist alleen met handbagage voor deze vlucht.


4. Op het vliegveld zie ik vaak ____ met koffers en rugzakken.


Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen zonder lidwoord (de/het/een) waar dat in het Nederlands normaal is (bijvoorbeeld bij meervoud, namen, maanden/dagen, niet-telbare woorden, beroepen, nationaliteiten en vaste uitdrukkingen).

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Toon/verberg hints
  1. Ik zie de kinderen spelen in het park.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ik zie kinderen spelen in het park.
  2. Morgen is het maandag, dus ik werk thuis.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Morgen is maandag, dus ik werk thuis.
  3. In de juli gaan we naar Spanje.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    In juli gaan we naar Spanje.
  4. Hij drinkt het water na het sporten.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Hij drinkt water na het sporten.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 07/05/2026 21:05