Woordenschat (16)
Passen (passen)
Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)
| (ik) heb gepast |
| (jij/je) hebt gepast |
| (hij/zij/ze/het) heeft gepast |
| (wij/we) hebben gepast |
| (jullie) hebben gepast |
| (zij/ze) hebben gepast |
Dragen (dragen)
Onvoltooid verleden tijd (OVT)
| (ik) droeg |
| (jij/je) droeg |
| (hij/zij/ze/het) droeg |
| (wij/we) droegen |
| (jullie) droegen |
| (zij/ze) droegen |
Aandoen (aandoen)
Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)
| (ik) heb aangedaan |
| (jij/je) hebt aangedaan |
| (hij/zij/ze/het) heeft aangedaan |
| (wij/we) hebben aangedaan |
| (jullie) hebben aangedaan |
| (zij/ze) hebben aangedaan |