Spelling verandert in de verleden tijd bij werkwoorden zoals reizen, hoeven, bakken, slagen.
- Er zijn regelmatige werkwoorden die in de onvoltooid verleden tijd (OVT) een klankverandering krijgen door de regels van de klankverschuiving, maar ze blijven wél regelmatig vervoegd.
- Eindigt de stam op een -s, maar eindigt het hele werkwoord op -zen, dan komt er -den achter. Bijvoorbeeld: reizen→reisde(n).
- Eindigt de stam op een -f, maar eindigt het hele werkwoord op -ven, dan komt er -den achter. Bijvoorbeeld: leven→leefde(n).
- Als er een medeklinker aan het eind van de stam staat en er een klinker aan het eind van de lettergreep staat in de stam, dan veranderen we de klinker. Bijvoorbeeld: klagen→ klaagde.
- Als de stam op twee medeklinkers eindigt die hetzelfde zijn, haal er dan één weg. Bijvoorbeeld: bakken → bakte
| Reizen | Leven | Klagen | Bakken | |
|---|---|---|---|---|
| ik | reisde | leefde | klaagde | bakte |
| jij, je | reisde | leefde | klaagde | bakte |
| hij, zij, het | reisde | leefde | klaagde | bakte |
| wij, we | reisden | leefden | klaagden | bakten |
| jullie | reisden | leefden | klaagden | bakten |
| zij, ze | reisden | leefden | klaagden | bakten |
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Gisteren ____ ik met de trein naar Amsterdam om het nieuws op televisie te bekijken.
2. Vroeger ____ mijn opa zonder internet en luisterde hij elke avond naar het nieuws op de radio.
3. Na het verslag ____ de presentator over de slechte verbinding met de zender.
4. Tijdens het programma ____ we gisteren appeltaart en lazen we ondertussen het nieuws op internet.
Oefening 2: Herschrijf de zinnen
Instructie: Zet de zin in de onvoltooid verleden tijd (OVT). Let op de spelling bij reizen (reisde/reisden), leven (leefde/leefden), klagen (klaagde/klaagden) en bakken (bakte/bakten).
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Toon/verberg hints-
Ik reis elke maand voor mijn werk naar Brussel.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldIk reisde elke maand voor mijn werk naar Brussel.
-
We leven nu in een drukke wijk, dichtbij het station.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldWe leefden in een drukke wijk, dichtbij het station.
-
Mijn collega klaagt vaak over de lange vergaderingen.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldMijn collega klaagde vaak over de lange vergaderingen.
-
Jullie bakken op zaterdag broodjes voor het buurtfeest.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldJullie bakten op zaterdag broodjes voor het buurtfeest.