A2.26 - Duurzaam transport
A2.26 - Duurzaam transport

A2.26 - Duurzaam transport - Oefeningen

Duurzaam vervoer


Oefening 1: Een woord matchen

Instructie: Koppel de items die een verwante betekenis hebben.

het openbaar vervoer — bus, tram, de trein
duurzaam vervoer — goed voor het milieu
de elektrische auto — een auto op stroom
mijn favoriete rit — de rit die ik het liefst maak

Oefening 2: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Nieuwsbrief: duurzaam naar kantoor in de groene zone

Vul de lege plekken in: openbaar vervoer, trein, auto’s, rit, vervoer, duurzaam, groene

(Nieuwsbrief: duurzaam naar kantoor in de groene zone)

Vanaf 1 april geldt in het centrum van Utrecht een zone. Oude mogen er minder vaak rijden, zodat de lucht schoner wordt. Veel mensen kiezen daarom voor , zoals de fiets of het .

De gemeente adviseert: kom met de en parkeer je fiets in de nieuwe stalling bij Utrecht Centraal. Zo duurt de vaak korter dan met de auto. Een elektrische auto mag de zone wel in, maar parkeren blijft duur. Kijk op de gemeentelijke website voor tijden en routes.

  1. Waarom raadt de gemeente aan om met de trein of fiets te komen, en wat is een voordeel van de nieuwe fietsenstalling?

Oefening 3: Luistervaardigheid

Instructie: Luister naar het audiofragment en geef aan of de volgende uitspraken waar of onwaar zijn.

Sinds vorige maand werk ik drie dagen per week op kantoor in Utrecht. Ik kies meestal het openbaar vervoer, want dat is duurzamer en beter voor het milieu. Met de trein reizen is voor mij het makkelijkst: de rit duurt ongeveer veertig minuten. Daarna loop ik nog vijf minuten naar het kantoor. Soms kom ik met de fiets als het droog is. Mijn collega heeft een elektrische auto, maar parkeren in de groene zone bij ons kantoor is duur.
Waar Onwaar

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Gisteren ___ ik met de trein naar mijn werk, omdat de groene zone in het centrum druk was.


2. Vorige week ___ mijn collega voor een elektrische auto, omdat dat beter is voor het milieu.


3. Op weg naar huis ___ ik langzaam, want er waren veel fietsers bij het station.


Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Discussievragen

Instructie: Beantwoord de vragen met het vocabulaire uit dit hoofdstuk.

Nuttige uitdrukkingen:

Ik reis meestal met de trein, omdat dat sneller is. / In mijn stad is het openbaar vervoer goed geregeld. / Ik probeer duurzamer te reizen, bijvoorbeeld door te fietsen of elektrisch te rijden.

  1. Hoe reis je normaal naar je werk of naar afspraken in de stad, en waarom kies je die manier van reizen?

    __________________________________________________________________________________________________________

  2. Welk vervoermiddel vind je het meest duurzaam in Nederland, en wat doe jij zelf om het milieu te helpen?

    __________________________________________________________________________________________________________

Oefening 7: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie