Bij indirecte rede gebruik je woorden als zeggen, vragen, of, dat om iets te herhalen zonder aanhalingstekens.
- Gebruik "of" in gesloten vragen.
- Gebruik "dat" in gewone zinnen.
- In de verleden tijd: de werkwoordsvorm in de bijzin staat ook in de verleden tijd.
| Type zin (Type de phrase) | Directe rede (Discours direct) | Indirecte rede (discours indirect) |
|---|---|---|
| Normale zin (Phrase normale) | (Le système fonctionne.) | (Elle dit que le système fonctionne.) |
| Vraag (Question) | Is het project af? (Is het project klaar?) (Le projet est-il terminé ?) | (Elle demande si le projet est terminé.) |
| Verleden tijd (Passé) | (J'organise le projet.) | Hij zei dat hij het project organiseerde. (Hij zei dat hij het project organiseerde.) (Il a dit qu'il organisait le projet.) |
Oefening 1: Indirecte rede
Instructie: Vul het juiste woord in.
of, dat
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste zin in de indirecte rede. Let op het correcte gebruik van 'dat' en 'of' en de werkwoordstijden.
Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen in de indirecte rede. Gebruik 'dat' voor gewone zinnen en 'of' voor ja/nee-vragen. Let op de juiste tijd van het werkwoord.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleMijn collega vraagt of ik de e-mail heb gelezen.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleGisteren zei mijn teamleider dat ik een goed plan had gemaakt.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleVorige week vroeg de docent of de tekst duidelijk was.